Cedar Gallery


Cedar info  |   Nieuws   |  Educatie  |   Links   |  Vriend/Donateur   |  Contact | Engels

 

 

Culturele Evenementen

Kunstenaars

Architectuur

Boeken

Design

Films

Fotografie

Letters

Schilderijen

Bomen

Religie

Thema's

China

Japan

Rusland

 

 

                                                                                                                                                                      

                                                                                                                                                                               

 Letters: verhalen en gedichten


Verhalen, sprookjes, fabels, mythen, sagen en legenden
 

Nederland

Introductie

De meester en juf op school vertelden ons regelmatig verhalen.
'De meester' vertelde ook verhalen, om de leer over te brengen aan zijn leerlingen.
Leerlingen luisterden in beide gevallen vaak aandachtig. De leerlingen van de meester waren soms wat kritischer. Zij wilden de dingen op een hoger niveau bespreken en begrijpen - althans zo dachten ze.
Vaak bleef de meester onbewogen. Als de leerlingen het er niet mee eens waren, dan zei hij:
"Jullie moeten begrijpen dat de kortste afstand tussen een mens en de waarheid een verhaal is..."
 

De boer en de zakenman.

Een zakenman die naar een zakelijke aangelegenheid moest in een afgelegen plaats besloot over de provinciale wegen te rijden in plaats van de snelweg te nemen. Zo kon hij er een ontspannen uitje van maken. Dacht hij.
Na een paar uur rijden besefte hij dat hij hopeloos was verdwaald.
Hij zag een boer die het land naast de weg bewerkte, stopte en vroeg de weg.
"Kunt u mij vertellen hoe ver het is naar Enschede?" vroeg hij aan de boer.
"Nou, dat weet ik niet precies", antwoordde de boer.
"Kunt u mij dan zeggen hoe ver het is naar Ommen?" vroeg de zakenman.
"Nee, dat zou ik niet kunnen zeggen", antwoordde de boer opnieuw.
"Kunt u me dan in ieder geval de vlugste weg naar de snelweg vertellen?" vroeg de zakenman geërgerd.
"Nee, dat weet ik niet", antwoordde de boer.
"U weet eigenlijk niet zoveel, hè?" riep de ongeduldige zakenman uit.
"Nee, maar ik ben ook niet verdwaald" antwoordde de boer bedaard.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Het gedicht van Sint Joris en de draak

Een eeuwenoud gedicht over de drakendoder Joris

't Is geschied vóór onze tijden
Dat Sint Joris kwam te rijden
Naar een stad in 't heidensch land
Waar men weinig Christ'nen vand

Deze stad was Tarentéche
Was in volle zee gelegen
En, zoo m'in de Schriftuur leest,
Was de draak een giftig beest.

Klein en groot die kwamen klagen
Bij den koning alle dagen,
Wien van hen allen tegaêr
Wilder stellen in 't gevaar.

De koning die sprak zonder spotten
"Wij zullen te zamen lotten:
Dat is mijne beste raad
Om te keeren meerder kwaad.

En als het lot zal vallen
Op de een van ons allen
Die zal zonder tegenspraak
Zich laten eten van den draak."

Eind'lijk kwam het lot te vallen
Op de een van hun allen,
Op het konings eenig kind
Van zijn vader teer bemind.

Toen moest deze dochter scheiden,
Waar de vader zeer om schreidde,
Naar den oever van de zee,
Waar zij kreeg een schaap of twee.

Sint Joris, die was kloek van zeden,
Kwam daar spoedig aangereden.
En hij sprak deez' juffrouw aan,
Waarom dat zij daar kwam staan.

"Edele jonkman, wilt 't getuigen
Wil hier van deez' plaats af rijden,
Want hier zal komen eene draak,
Die mij zal slikken in zijn kaak."

"Ed'le juffrouw, wil niet schrikken,
Dat de draak u op zal slikken.
Ik zal gaan in Christus' naam
Maken hem als een lam zo ta(a)m."

Sint Joris, die was kloek van zeden,
Reed de draak kloekmoedig tegen
En hij ook kloekmoedig sta(a)k
Met zijn lans(s)e in den draak.

Toen was deze dochter gebleven
Onbeschadigd in haar leven
En zij wierde Katholijk,
Ja, geheel het koninkrijk.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Vrouw Holle

Er was eens een weduwe, die twee dochters had. De één was mooi en ijverig, de andere lelijk en lui. Maar de vrouw hield veel meer van de lelijke en luie, die haar eigen dochter was,  en de andere moest al het werk doen en Assepoes in huis zijn. Het arme meisje moest elke dag naar de waterput en ze moest zoveel spinnen, dat het bloed haar uit de vingers sprong. Nu gebeurde het eens, dat de spoel helemaal bloederig was. Het meisje bukte zich over de putrand en wilde de spoel even afwassen, maar de spoel sprong uit haar hand en viel naar beneden. Ze begon te huilen, liep naar haar stiefmoeder en vertelde van het ongeluk. Maar die werd heel boos, was onbarmhartig en zei: “Als je de spoel erin hebt laten vallen, moet je hem er ook maar weer uit halen.” Toen ging het meisje naar de waterput terug en wist niet wat ze moest beginnen, en in haar wanhoop sprong ze de put in om de spoel te halen. Ze verloor het bewustzijn, maar toen ze weer wakker werd, lag ze in een prachtige weide; de zon scheen en er stonden duizenden bloemen. Ze stond op en liep de weide af. Daar kwam ze bij een oven vol met brood, en het brood riep: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik: ik ben al lang gaar!” Ze ging erheen en haalde de platen vol brood uit de oven. Verder wandelde ze; ze kwam bij een boom vol met appels en de boom riep: “Schud me toch, schud me toch, want de appels zijn allemaal rijp!” Ze schudde de boom zodat de appels vielen alsof het regende, en ze schudde zolang, tot er geen een meer hing, ze legde al de afgevallen appels op een hoop, en toen wandelde ze weer verder. Eindelijk kwam ze bij een klein huisje. Een oude vrouw keek uit het raam. Deze had echter zulke grote tanden, dat het meisje er bang van werd, en wou weglopen. Maar de oude vrouw riep haar na: “Waarom ben je bang, lieve kind? Blijf bij me. Als jij alle huiswerk wilt doen, zal het je goed gaan. Je moet alleen zorgen, dat je mijn bed goed schudt, zodat de veren rondvliegen, dan sneeuwt het in de wereld, ik ben vrouw Holle!” Toen de oude vrouw zo vriendelijk tegen haar sprak, vatte het meisje moed, stemde toe en kwam bij haar in dienst. Ze deed alles tot grote tevredenheid en schudde het bed steeds met zoveel geweld, dat de veren als sneeuwvlokken rondvlogen; maar ze had dan ook een goed leven bij haar, geen enkel boos woord en elke dag haar natje en droogje. Het meisje woonde al een tijdje bij vrouw Holle, toen ze zich triest begon te voelen en in het begin snapte ze niet wat er met haar was; eindelijk begreep ze dat het heimwee moest zijn; al had ze het hier duizendmaal plezieriger dan thuis, toch verlangde ze er naar terug. Uiteindelijk zei ze tegen vrouw Holle: “Ik verlang vreselijk naar huis, en al gaat ‘t me hier nog zo goed, ik kan niet langer blijven, ik moet naar mijn familie terug.” Vrouw Holle sprak:”Ik vind het lief van je, dat je weer naar huis verlangt, en omdat je me zo trouw gediend hebt, zal ik je zelf weer naar boven brengen.” Ze nam haar bij de hand en bracht haar bij een grote poort. De poort werd geopend, en toen het meisje daar onder stond, viel er een regen van goud neer, en al het goud bleef aan haar hangen, zodat ze helemaal met goud was bedekt. “Dat krijg je, omdat je zo ijverig bent geweest,”zei vrouw Holle en ze gaf haar ook de spoel terug, die in de put was gevallen. Daarop viel de poort dicht en het meisje was in de bovenwereld, niet ver van haar moeders huis en toen ze in de tuin kwam, zat de haan op de putrand en riep:

“Kukeleku,
Onze gouden jonkvrouw zien we nu.”

Toen ging ze naar binnen, naar haar moeder en omdat ze met goud overdekt was, werd ze door haar moeder en haar zuster vriendelijk begroet.

Het meisje vertelde alles wat ze had meegemaakt, en toen de moeder hoorde, hoe ze tot grote rijkdom was gekomen, wilde ze haar eigen lelijke, luie dochter graag hetzelfde geluk gunnen. Deze moest nu ook bij de waterput zitten en spinnen; en om de spoel bloederig te maken, prikte ze zich in haar vinger door haar hand in een doornheg te steken. Toen gooide ze de spoel in de put en sprong er zelf achteraan. Ze kwam, net als haar zusje, in de mooie weide en volgde hetzelfde pad. Toen ze bij de oven kwam, riep het brood weer: “Haal me eruit, haal me eruit, anders verbrand ik, ik ben al lang gaar.” Maar het luie meisje antwoordde: “Denk je dat ik zin heb mijn handen vuil te maken,” en ze liep door. Weldra kwam ze bij de appelboom, die riep: “Schud me toch, schud me toch, mijn appels zijn allemaal al rijp!” Maar zij antwoordde:”Dat denk je maar, er zou best een appel op mijn hoofd kunnen vallen!” en na die woorden ging ze verder. Toen ze bij het huisje van vrouw Holle kwam, was ze niet bang, want van die grote tanden had ze al gehoord, en ze verhuurde zich meteen. De eerste dag deed ze zichzelf geweld aan en was vlijtig en deed wat vrouw Holle haar zei, want ze dacht aan al het goud dat ze ter beloning zou krijgen. Maar de tweede dag begon ze al te luieren, en de derde nog meer: toen wou ze ‘s morgens niet eens meer opstaan. Ze schudde het bed van vrouw Holle ook niet, zoals het hoorde, en ze schudde zeker niet zo dat de veren vlogen. Vrouw Holle kreeg al gauw genoeg van het luie meisje en ze zei haar de dienst op. Het meisje was daar best blij mee, want ze dacht dat de gouden regen nu zou beginnen. Vrouw Holle bracht haar naar de poort, maar toen het meisje daar onder stond, werd er in plaats van goud een grote pan vol pek uitgestort. “Ter beloning van je diensten,” zei vrouw Holle en sloot de poort. Zo kwam de luie meid thuis, helemaal vol pek, en de haan zat op de putrand en riep:

“Kukeleku,
Onze vieze jonkvrouw zien we nu!”

Het pek bleef aan haar kleven en wilde er haar leven lang niet meer af!

De gebroeders Grimm

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Heer Halewijn

Een middeleeuwse overlevering over Halewijn en Machteld

Eens zorgde de boze Halewijn voor veel onrust in de bossen en op het open land. Hij kon zo mooi zingen dat ieder meisje dat zijn gezang hoorde, hem absoluut moest volgen, waar hij ook heen ging. Als hij er een op die manier had gelokt, tilde hij haar achter op zijn paard, zijn schild hing hij aan het zadel en hij reed dan in wilde galop met haar het donkere bos in. Geen van die meisjes keerde ooit weer terug.
Toen hoorde op zekere dag Machteld, de dochter van een vorst, het verhaal over de boze Halewijn. Ze besloot het monster op te zoeken en haar zusters te wreken. En ze ging naar haar vader toe en sprak: "Lieve vader, laat mij naar Halewijn gaan!"
"Neen, mijn lieve dochter, die daarheen gaan, keren niet terug!"
Toen ging Machteld naar haar moeder en sprak: "Lieve moeder, laat mij naar Halewijn gaan!"
"Neen, mijn lieve dochter, die daarheen gaan, keren niet terug!"
Maar toen ze naar haar broer ging en sprak: "Lieve broer, laat mij naar Halewijn gaan," antwoordde deze: "Ga maar, mijn lieve zuster, ga maar. Maar denk om je eer en draag je kroon met waardigheid."
Daarna kleedde Machteld zich en maakte zich op alsof ze naar een feest ging. Ze droeg een zijden jurk en een met parels bezette mantel. Op haar hoofd droeg ze een gouden kroon. Ze ging naar haar vaders stal en zadelde het snelste paard. Schrijlings ging ze erop zitten en zingend reed ze door het bos.
Diep in het bos kwam Halewijn haar tegen en sprak: "Wees gegroet, mooi meisje met de heldere ogen en het gouden haar!" Hij wendde zijn paard en reed samen met haar verder. Toen ze langs een hazelaar kwamen, riep een witte duif: "Keer terug, mooi meisje, keer terug!"
Maar Machteld reed verder zonder angst. Ten slotte kwamen ze bij een bron. De grond er omheen was donker van het bloed. Daar sprong Halewijn van zijn paard en spreidde zijn mantel in het gras uit. Hij vroeg de mooie Machteld bij hem te gaan zitten. Dat deed ze. Maar toen zij omhoogkeek, zag ze in de top van een donkere den elf dode meisjes hangen. Halewijn zei: "Weldra zul jij de twaalfde zijn!" Hij keek haar recht in het gezicht om te zien of ze huilde, zoals de anderen hadden gedaan. Maar Machtelds blik was rustig en haar ogen bleven helder. Toen zei hij tegen haar: "Omdat jij de mooiste en dapperste van allen bent, mag jij je eigen dood kiezen. Zeg het maar, wil je bovenin de dennenboom hangen of in het koele water drijven of wil je het blanke zwaard kussen?"
"Dan kies ik het blanke zwaard, zoals dat past bij mijn hoofd!"
Toen ging Halewijn staan en trok zijn zwaard. Machteld stond echter voor hem en zei: "Trek je opperkleed uit opdat dat niet bedorven wordt, want meisjesbloed spuit erg ver."
Hij deed wat zij vroeg, draaide zich om om het kledingstuk uit te trekken en legde zijn zwaard naast zich neer. Machteld greep het en zie: nog voordat hij zijn kleding uitgetrokken had, lag zijn hoofd al aan haar voeten. Toen begon het hoofd te spreken: "Ga onder de dennenboom staan waaraan de meisjes hangen. Daar staat een pot met zalf, doe die op mijn hals!"
"Dat doe ik niet! Het hoofd van de moordenaar moet blijven liggen waar het ligt!"
"Pak dan de hoorn die achter aan mijn zadel hangt en blaas erop!"
"Dat doe ik niet, anders komen er andere moordenaars achter mij aan!"
Ze pakte het hoofd van Halewijn bij de haren en waste het in de bron. Het hoofd en het zwaard nam ze mee. En ze reed weer weg, schrijlings in het zadel zittend. Zingend reed ze door het bos.
Halverwege ontmoette ze Halewijns moeder en die vroeg: "Mooi meisje, heb jij mijn zoon ook gezien?"
"Uw zoon Halewijn ging op jacht. Maar hij zal nooit meer jagen! Uw zoon, Halewijn, is dood. Ik heb zijn hoofd hier in mijn schoot, rood van het bloed is mijn jurk." En Machteld trok het zwaard en bedreigde daarmee de oude vrouw, zodat die er snel vandoor ging.
Zingend reed Machteld verder tot ze voor de poort van haar vader stond. Ze blies op de hoorn als een held. Toen haastten haar vader en moeder, broer en zuster haar juichend tegemoet en jubelend groette ze het volk. Alle edelen van het land werden uitgenodigd voor een groot feestmaal.
Midden op de tafel stond het hoofd van Halewijn.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Met de nachtmare getrouwd

Een Nederlands verhaal over een niet te temmen luchtwezen

Niets hielp, de boer was ten einde raad. Geen hoefijzer en geen vastgespijkerde katuil, geen roodgeschilderd kruis op de muur, geen afgevilde paardenkop aan de gevel, zelfs geen toverspreuk bracht uitkomst:

Nachtmare, jij lelijk dier,
Blijf vanavond ver van hier!
Alle wateren moet je waden,
Alle bomen moet je ontbladen,
Alle grasjes moet je tellen, -
Kom mij deze nacht niet kwellen!

Nat van zweet en volkomen verwilderd, met knopen in de manen en dooreengevlochten staarten, ja, de poten naar binnen gedraaid, zo stonden de arme paarden iedere morgen weer weerloos op stal, en ze vermagerden zienderogen. De boer kreeg er op het laatst schoon genoeg van! En hij besloot een hele nacht op te blijven, om de nachtmare op heterdaad te betrappen.
Daartoe bereidde hij zich terdege voor, hij ging niet over een nacht ijs. Hij sloot niet alleen de luiken maar stopte ook alle reten en spleten zorgvuldig toe, ja, zelfs de kieren in het houtwerk werden niet vergeten. Doch de deur van de stal liet hij halverwege open, want daardoor zou de nachtmare naar binnen moeten glippen. In het donker hield hij eenzaam de wacht: de hoornen luchter die hij bij zich had, werd wel aangestoken, maar weggestopt onder een houten melkemmer. Toen hoorde hij, klokslag middernacht, opeens getrappel, eerst zacht als in de draf, maar dan al spoedig in volle galop. "Ziezo," zei hij, "de nachtmare berijdt weer de paarden!" Voor alle zekerheid gooide hij nu ook nog de staldeur dicht -zo zat zij volkomen gevangen en kon zij onmogelijk meer ontvluchten!
Maar buiten de deur op de mestvaalt hoorde hij ineens een onmenselijk gelach, hoog en helder, de schrille lach van de nachtmare. Zij was toch nog ontsnapt - door het riemgat, dat hij vergeten had dicht te stoppen (het riemgat is de opening waardoor het riempje ging, waarmee de klink van de deur werd opgelicht). Nachtmaren hebben maar een luttel gaatje nodig om weg te vluchten, want zij kunnen zich in een ommezien veranderen in een heel klein diertje, een muis of een bij of een kever.
Dat was eenmaal en niet weer! De volgende avond stak hij een wis van vlas in het riemgat, zodat alles nu potdicht zat. Toen zij eenmaal binnen was (wat je kon merken aan het zwoegen van de paarden), gooide hij ook de deur van de stal nog toe en schoof de grendel erop.
De nachtmare besefte dat zij nu reddeloos gevangen zat en begon hartroerend te schreien en te vleien: "Geef mij alstublieft de vrijheid toch weer; laat mij terugkeren naar mijn tehuis, naar de lucht en de wolken!" Maar de boer hield voet bij stuk en liet zich niet vermurwen. "Ik wil je wel 's bekijken om te zien of je een geest bent of een beest!" Meteen lichtte hij de melkemmer van de hoornen luchter, luid lachend. En wat zag hij daar staan, vlak voor het riemgat? Een jeugdige vrouw zo rank en schoon en ragfijn gekleed, dat zij het glansrijk won van alle vrouwen in de hele boerschap! De levenslust straalde haar uit de ogen - zij leek allerminst een zwak poppetje, ondanks haar fijnheid. Dadelijk greep hij haar bij de haren en dwong haar aldus tot onderwerping - had hij haar bij de kleren gevat, dan zou hij geen macht over haar gehad hebben - want kleren zijn 'an je' en haren zijn 'van je'.
Hij zat juist om een stalmeid verlegen en nam haar onmiddellijk in dienst. Zij sputterde nauwelijks tegen en verrichtte haar nederig werk boven verwachting, met grote lust en toewijding. Maar bevreesd dat zij 's nachts toch weer in de verleiding zou komen de paarden af te rijden nam hij haar, vrijgezel als hij nog was, veilig bij zich in de bedstede - zo zou hij het best op haar kunnen passen! Maar een boer is van vlees en bloed, en hij raakte zo onder haar betovering dat hij haar weldra tot vrouw nam.
Ook als boerin was zij voorbeeldig. Iedereen was vol lof over de uitnemende wijze waarop zij de boerderij en haar huishouding bestierde. Zij verdubbelde haar zorgen, toen zij ook nog kinderen kreeg: twee jongens en een meisje, die zij innig liefhad. Op den duur achtte de boer het dan ook niet meer nodig 's nachts steeds maar weer alle hoeken en gaten nauwkeurig dicht te stoppen. Zij bleek nu immers door en door gebonden aan haar man, haar werk en haar drie kinderen. Het had er alles van, dat zij voorgoed de lucht had prijs gegeven voor deze aarde. Zij ging zelfs getrouw, iedere zondagmorgen, naar de kerk! Maar wat hij niet wist - over haar diepste roerselen bewaarde zij een angstvallig stilzwijgen - dat was haar hevige onrust, telkens weer als wolken jaagden langs de hemel en de wind bulderde in de schoorsteen.
Dan kon zij de slaap niet vatten en verlangde zij, tot uitzinnig worden toe, naar haar oorspronkelijk element dat zij nimmer kon vergeten. O, hoe graag zou zij zich baden in de gulle regenstroom hoog in het zwerk, naakt en zonder kleren, om dan weer op te drogen in een bonte regenboog, de volgende ochtend! Maar als zij aan haar drie onschuldige kinderen dacht, dan voelde zij zich vastgeketend aan de aarde en aan het werk der mensen en dan kon zij niet de heerlijke opvlucht nemen, die haar de vrijheid terugschenkt. Haar kinderen, het liefste dat zij bezat, kon zij onmogelijk meenemen - die waren van de aarde en allesbehalve hemels. Maar kleine kinderen worden groot en meer en meer zelfstandig, zodat zij op den duur buiten hun ouders kunnen.
Dan, op een broeierige avond na een gloeiend hete zomerdag, breekt er een ontzaggelijk noodweer los. De bliksem is niet van de lucht, de donder dreunt, eeuwenoude eiken worden ontworteld. Plotseling komt het haar voor, alsof een rei van maren, door weerlichtglans omstraald, in een wolk neer zweeft naar de aarde, haar wenkend en wuivend eindelijk terug te keren tot het element waar zij thuishoort. Zij bezwijkt, zij zweeft mee omhoog, wenend om al het geluk dat zij achterlaat en om de plicht die zij verzuimt.
Toch kon en mocht zij niet volledig toebehoren aan de hogere luchtstreek. Eenmaal in de week, op zaterdagavond, keerde zij naar haar werelds werk weerom. Dan verschoonde zij het hele gezin, zij karnde de boter en zij bereidde het zondagsmaal. Men liet haar stilletjes begaan, vol eerbied voor het mysterie dat men niet begreep. Zwijgend ging zij weer heen, blijde en bedroefd tegelijkertijd. En zij heeft dit jaren en jaren zo volgehouden, totdat de kinderen getrouwd waren en haar man zijn laatste gang maakte naar het kerkhof.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------


Verhalen uit diverse landen

 

Hercules of Herakles (Griekse mythologie, Griekenland 1)

Het verhaal van Herakles of Hercules op de tweesprong is afkomstig van de griekse sofist Prodikos van Keos (ca. 400 v.C.)

Hercules komt op een tweesprong twee vrouwen tegen. Deze vrouwen zijn de personificaties van de Deugd en de Ondeugd. Beiden raden ze Hercules aan om de weg te volgen die zij hem wijzen.
De Deugd, die gewoonlijk wordt afgebeeld in zedige en eenvoudige kledij, wijst op een rotsige en steile weg. Deze weg lijkt niet zo mooi te zijn. Maar aan het eind van die weg zal er een beloning volgen.
De Ondeugd (afgebeeld als een half ontblote of naakte vrouw of juist als iemand die overdreven mooi gekleed gaat) wijst op een 'betere', aantrekkelijker weg. Hercules kan een gemakkelijk begaanbare weg nemen, die vlak is en waar hij direct een hoop plezier kan beleven. Of een zware weg, met zicht op een mooie, maar verre toekomst. Het is een moeilijke keuze.
Hercules (de mens) is vrij om zijn eigen lot te bepalen. Hercules blijft (ook in dit verhaal) de held. Als de vrouwen verdwenen zijn, kiest hij voor de weg die hem door de Deugd is gewezen.
Op de afbeelding van het schilderij 'Hercules op de tweesprong' van Annibale Caracci (1596) wijst de Deugd Hercules op een moeilijke weg, met op de top Pegasus, het gevleugelde paard van de dichterlijke inspiratie. De Ondeugd wijst op een aangename weg, geassocieerd met theater en muziek.
Er zijn veel verhalen over Heracles/Hercules. Toen hij en Deianeira (zijn vrouw) op een keer de rivier overstaken op de rug van een centaurus, probeerde deze de vrouw te roven. De centaurus werd door de giftige pijlen van Hercules gedood. De centaurus maakte vlak voor z'n dood de vrouw wijs, dat ze zijn bloed moest gebruiken om een shirt te verven en deze aan Hercules te geven. Dan zou hij haar altijd trouw blijven. Toen Hercules het shirt aantrok werd hij door helse pijnen overmand, en hij vond de dood op een brandstapel. Na z'n dood werd hij een god.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------
 

De koning van India (1)

Lang geleden leefde er in India een koning die erg veel sprak. "Ik ben de grootste koning van India. Mijn paleis is het mooiste. Mijn paarden zijn de snelste. Ik heb de meeste schatten van alle koningen".
Zo praatte de koning de hele dag door, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat.
De koning was niet alleen erg trots op wat hij was en bezat. Soms sprak hij ook over zaken waarover hij misschien beter had kunnen zwijgen, omdat ze geheim waren. Zo bracht hij af en toe zijn eigen mensen in gevaar.
Verschillende wijze mannen uit India wezen de koning er zo nu en dan voorzichtig op, dat hij misschien wel te veel sprak. Maar dan werd de koning altijd ontzettend boos.
"Onthoofd deze mannen", schreeuwde de koning dan. Als aan dit verzoek voldaan was, zei de koning tegen de andere wijze mannen, "Is er een van jullie die nu nog graag met een onwelkom advies wil komen?"

Adulla was de oudste en wijste adviseur van de koning. Hij schudde vaak zijn wijze oude hoofd en mopperde: "Ik wacht geduldig af tot ik de koning op een goede dag eens een lesje kan leren."

Op een morgen liepen Adulla en de koning over de binnenplaats van het paleis. Plotseling bleef de koning staan en wees naar een zwart ding. Hij vroeg: "Wat is dat, Adulla?"
"Dat is een dode schildpad, sire", zei Adulla tegen de koning.
"Hoe komt die hier?" vroeg de koning.
Adulla vertelde de koning het volgende.
"U weet, dat er in de vijver 'Witte Lotus' heel veel schildpadden leven. Een schildpad was sterker en groter dan de andere schildpadden en hij heerste over al deze schildpadden. Hij was niet alleen sterk en groot, hij sprak ook heel veel. "Ik ben de grootste schildpad in deze vijver. Mijn schild is de breedste. Mijn ogen zijn het stralendst. Ik kan het diepste duiken", en zo ging de schildpad altijd maar door. "Toevallig zwommen er sinds enige tijd twee wilde ganzen in de Witte Lotus vijver. Ze werden dikke vrienden met de schildpad. Toen ze op een dag terug naar huis wilden vliegen, zei de ene gans tegen de schildpad: "O grote schildpad, ik wou dat je met ons mee kon gaan".
"Och jee", zei de andere, "Dat kan toch niet. Hij kan niet vliegen".
"Ik heb een idee", zei de schildpad, "Jullie houden beiden het uiteinde van een stok vast en dan houd ik mij vast aan het midden van de stok en dan kunnen jullie mij meenemen naar jullie huis."
"Dat is goed, maar spreek geen woord onderweg, beste schildpad", zei de gans "Anders val je naar beneden en dan is het met je gedaan."
Zo gezegd, zo gedaan. De ganzen vlogen de lucht in met een stok, waaraan de schildpad zich vasthield.  Vierteenlandschildpad aan de maaltijd.
Het ging een hele tijd goed, tot ze over de binnenplaats van het paleis van de koning vlogen. Op de binnenplaats stond een van uw schildwachten, koning, en die zag tot zijn verbazing wat daar overvloog. De schildwacht vroeg zich verbaasd af wie van de drie dit slimme plan bedacht had en riep dit hardop. 

 

De verleiding om te vertellen door wie dit plan bedacht was, was te groot. De schildpad opende zijn mond en zei "Ik ben degene die dit slimme plan bedacht heeft".
"Maar zoals u ziet", ging Adulla verder, "had hij dat beter niet kunnen doen", en wees met zijn vinger naar de neergestorte schildpad.
De koning keek Adulla aan. Hij schudde zijn hoofd en mompelde: "Ja, ik zie het."
Hij keerde zich om en liep het paleis in. Die dag viel het iedereen op dat de koning minder sprak en beter luisterde naar zijn adviseurs. Vooral naar Adulla. De koning had zijn lesje geleerd.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------                                            

De slak en de kersenboom

Eens werd de meester gevraagd of hij niet teleurgesteld was vanwege het feit dat al zijn moeite zo weinig vrucht voortbracht. Als antwoord vertelde hij het verhaal van een slak die op een koude, stormachtige dag in het voorjaar begon de stam van een heel hoge kersenboom te beklimmen. De spreeuwen, die op de bomen ernaast zaten, schoten in de lach toe ze zagen wat de slak deed. Een van hen vloog naar de slak toe en kwetterde: 'Hé, dommerik, zie je niet dat er nog helemaal geen kersen in de boom hangen?!'Het kleine diertje onderbrak zijn klimtocht niet, maar antwoordde: 'Maar zodra ik boven ben wel! ' 

 

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

De dappere uit het noorden en de dappere uit het zuiden.  Een verhaal uit Mongolië

Heel lang geleden leefden er twee dappere mannen, de dappere uit het noorden en de dappere uit het zuiden. Deze beide dappere mannen hielpen de armen, verzetten zich tegen de hoogmoedigen en streden met rijke en hoge heren.
Op een dag trof de dappere uit het noorden de dappere uit het zuiden. Ze wisselden een groet uit en wensten elkaar vrede. Daarna zei de dappere uit het noorden tegen de dappere uit het zuiden: "Zeg eens, mijn vriend, wat kun jij niet in handen krijgen?" Daarop antwoordde de dappere uit het zuiden: "Alleen het goud en zilver in de vijftien verdiepingen hoge toren van de koning kan ik niet in handen krijgen." En toen zei de dappere uit het noorden: "Als dat het geval is, moeten wij er samen over nadenken hoe we dat goud en zilver uit die vijftien verdiepingen hoge toren weghalen."
Het gevolg was dat ze een grote ketel vol lijm kookten. In het holst van de nacht droegen ze, met behulp van een stang, deze grote ketel met lijm naar de achterkant van de vijftien verdiepingen hoge toren van de koning en zetten hem daar neer. Ze neusden rond en zagen dat de poort was afgesloten door een hangslot met de kop van een zwarte tijger en dat er vijftig grimmig uitziende, sterke soldaten tegen de zijkanten van de poort stonden te slapen. Dit alles zagen die twee dappere mannen, voordat zij hun handen en voeten vol lijm smeerden en de vijftien verdiepingen hoge toren beklommen. Toen ze via een raam waren binnengedrongen en om zich heen keken, ontdekten ze in een hoek vier rundleren koffers in twee stapels naast elkaar. Ze bleken gevuld te zijn met goud en zilver. De beide mannen haalden de koffers aan de rechterkant leeg en gooiden alles wat erin zat als stenen uit het raam aan de achterkant van de toren. Daarna klommen ze weer omlaag, raapten de buit op en keerden naar huis terug. Het veroverde goud en zilver verdeelden ze onder de armen. Ze dronken wijn en brandewijn, aten vlees en vielen in slaap.
De volgende ochtend stond de voor het goud en zilver van de koning verantwoordelijke ambtenaar, zoals gewoonlijk, vroeg op. Als bewaker van de toren controleerde hij de koffers. Toen uit de twee koffers aan de rechterkant al het goud en zilver bleek te zijn verdwenen, schrok hij verschrikkelijk. Hij liep naar de koning om te melden wat er was gebeurd en de koning schreeuwde opgewonden: "De man die het goud en zilver uit mijn vijftien verdiepingen hoge toren heeft gestolen, is geen gewoon mens!" Daarop beval hij zijn ambtenaar: "Ga naar de toren en stop het goud en zilver uit de twee koffers aan de linkerkant in de gisteren leeggeroofde twee koffers aan de rechterkant. Vul daarna de twee koffers aan de linkerkant tot aan de rand met pek!"
Toen de ambtenaar was weggegaan om de opdracht uit te voeren, lachte de koning inwendig. "Jij, rover die mijn goud en zilver hebt gestolen, als jij vannacht terugkomt, denk je natuurlijk dat de twee koffers aan de rechterkant leeg zijn. Daarom graai je in de twee koffers aan de linkerkant en dan kom je vast te zitten in het pek!"
Die nacht kwamen de twee dappere mannen inderdaad terug, met hun lijmketel. Ze smeerden hun handen en voeten vol lijm en beklommen de toren. In de schatkamer zei de dappere uit het noorden: "Vandaag moeten we de koffers aan de rechterkant nog eens openmaken!"
"Wat heeft dat voor zin? Die zijn toch al leeg! We kunnen alleen nog maar de koffers aan de linkerkant plunderen!" antwoordde de dappere uit het zuiden. Hij liep met grote passen naar de linkerkant en nog voordat de dappere uit het noorden tekst en uitleg kon geven, zat de dappere uit het zuiden al vast in het pek. De dappere uit het noorden haalde de koffers aan de rechterkant opnieuw leeg, gooide al het goud en het zilver uit het raam aan de achterkant alsof het stenen waren, en ging zich toen bemoeien met de dappere uit het zuiden, die niet in goud en zilver maar in pek had gegraaid. Toen de dappere uit het noorden klaagde: "Zie je nu dat je in de val van de koning zit omdat je niet naar mijn woorden hebt geluisterd?" antwoordde de dappere uit het zuiden: "Ja, ik sloeg je woorden in de wind, daarom ben ik in de val gelopen! Mijn verstand was niet tegen de koning opgewassen. Ik kan mijn handen op geen enkele manier uit dit pek loskrijgen en dus zullen ze mij morgenochtend levend vangen en tot in het negende geslacht uitroeien. Maar het is beter dat iemand alleen sterft, dan dat een hele familie wordt uitgemoord. Mijn vriend, voorkom dat mijn oude moeder, mijn vrouwen en mijn kinderen worden gedood! Snijd me mijn hoofd af en neem het mee!"
Omdat de dappere uit het zuiden zijn verzoek maar bleef herhalen, had de dappere uit het noorden geen keus. Huilend gaf hij de dappere uit het zuiden een kus. Daarna trok hij zijn mes, sneed het hoofd af en nam het mee. Zonder uitstel vertelde hij de oude moeder van de dappere uit het zuiden wat er was gebeurd, dat de ander niet naar zijn woorden had geluisterd, dat zijn handen waren vastgeraakt in het pek, dat hij niet meer kon loskomen, maar dat hij toen aan haar, zijn vrouwen en zijn kinderen had gedacht, en daarom zijn leven en zijn lichaam had opgeofferd. Toen de oude moeder haar ogen bijna blind huilde, zei de dappere uit het noorden: "Moedertje toch! Dat je nu huilt, kan geen kwaad, maar ik verwacht dat de koning over enkele dagen het lichaam van je zoon op een door een witte olifant getrokken wagen door de dorpen zal laten rondtrekken. Hij zal het lijk aan alle mensen laten zien en degenen die dan gaan huilen, zal hij laten vermoorden! Moedertje, als je je zoon ziet, mag je niet huilen. Er bestaat echter een uitweg voor je. Wanneer je de door een witte olifant getrokken wagen ziet aankomen, laat dan een leren waterzak vol water leeglopen. Dan kun je huilen. Wanneer de soldaten van de koning je grijpen en zeggen: 'Jij hebt gehuild!' en je uitschelden, moet je antwoorden: 'Wat blijft een oude vrouw anders over! Ik heb net uit een verafgelegen bron drinkwater voor vele dagen gehaald en nu jagen jullie me de stuipen op het lijf met een verschrikkelijk beest en een lichaam zonder hoofd, zodat ik mijn waterzak leeg liet lopen. Daarom huil ik!' Maar er zal nog een andere list bedacht moeten worden om de soldaten weg te lokken."
Nadat hij de moeder van de dappere uit het zuiden op die manier had voorbereid, ging hij weg om een list te verzinnen waarmee hij de krijgslieden van de koning om de tuin zou kunnen leiden.
Toen de bewaker van de vijftien verdiepingen hoge toren de volgende ochtend omhoog klom om de schatkist te controleren, trof hij daar een man zonder hoofd aan die met zijn handen in het pek vastzat. De bewaker stormde naar de koning en toen deze de boodschap had aangehoord, zei hij: "Ha, er waren dus twee mannen! Toen de een vastzat in het pek heeft de ander uit angst dat we hem levend zouden grijpen zijn hoofd afgesneden. Hij dacht zeker dat ik er niet achter zou kunnen komen wie het hoofd van zijn vriend meenam! Is het soms niet gebruikelijk dat de familieleden van een gestorvene huilen wanneer ze het lijk van de dode zien? Als ik de familie van de dode vind, zal de dader wel op de vlucht slaan!"
Daarop beval hij zijn ambtenaar: "Laad dit lijk zonder hoofd op een door een witte olifant getrokken wagen en trek ermee langs de steppebewoners. Zodra je iemand ziet die huilt bij de aanblik van het lijk, breng hem dan direct als gevangene bij mij. Van hem kom ik dan wel te weten wie de man is die het hoofd van het lijk heeft afgesneden." De ambtenaar kon gaan. Hij laadde het lijk van de dappere uit het zuiden op een kar die werd getrokken door een witte olifant, en op zijn rondgang langs de steppebewoners kwam hij ook bij de familie van de dappere uit het zuiden.
Een oude vrouw die het lijk op de wagen zag, liet een waterzak vallen en begon te huilen. De ambtenaar van de koning liet haar bij zich brengen en toen ze voor hem stond, zei ze: "Ik ben ook al zo oud. Ik ben net naar de bron geweest om voor vele dagen drinkwater te halen en dan jagen jullie me de stuipen op het lijf met dat verschrikkelijke beest en met dat lijk zonder hoofd dat daar op die wagen ligt. Nu heb ik al het water verspild!" Na dat antwoord ging ze op huis aan, maar de soldaten van de koning vertrouwden het niet en samen met de ambtenaar van de koning volgden ze de vrouw en doorzochten haar huis. Hun huiszoeking leverde niets op, maar toen ze naar buiten kwamen vonden ze de kar die door de witte olifant was getrokken leeg en verlaten terug. Noch van het lijk dat erop had gelegen, noch van de witte olifant viel een spoor te bekennen.
De soldaten schrokken er hevig van. Ze lieten de oude vrouw lopen, gingen terug naar de koning en brachten hem verslag uit. "Deze man is ook heel slim en wijs!" was het commentaar van de koning. Daarop liet hij een stakker zoeken die overdekt was met wonden en zweren. Hij maakte uit de staartharen van een paard een merkteken, knoopte dit vast aan een touw en overhandigde het aan de stakker. "Ga nu bij alle steppefamilies langs en vraag om een beetje vet van een witte olifant. Krijg je in een of andere nederzetting ook werkelijk wat vet van een witte olifant, bind dan stilletjes dit geknoopte merkteken aan de tent vast en kom terug."
Nu had de dappere uit het noorden, om de moeder van de dappere uit het zuiden te helpen toen de soldaten haar huis waren binnengedrongen de witte olifant uitgespannen en het lijk van de dappere uit het zuiden, naar een verafgelegen berg gebracht. Tegen zijn eigen moeder zei hij: "Moedertje, mocht er iemand komen die om wat vet van een witte olifant bedelt, geef hem dat dan niet!" Daarna ging hij op jacht. En inderdaad, op een dag verscheen een met akelige wonden en zweren overdekte man bij de tent van de dappere uit het noorden. Hij boog eerbiedig voor de oude moeder en zei: "Moedertje, ik ben getroffen door een onbekende ziekte. Je ziet, moedertje, dat mijn wonden en zweren zich over mijn hele lichaam hebben verbreid. Ik zal eraan moeten sterven, tenzij ik vet van een witte olifant vind en daar mijn lichaam mee inwrijf. Dat zal me genezen en houdt me in leven!"
Zo kweet hij zich van zijn opdracht, en bij het zien van de wonden en zweren van de man aarzelde de oude vrouw, dus de man bleef buigen en smeken. Zijn verzoek werd steeds dringender en zo bereikte hij uiteindelijk dat de oude vrouw hem uit medelijden een stuk olifantsvet zo groot als een drinkschaal gaf. Hij bond heimelijk het merkteken van paardenhaar aan haar tent en maakte zich uit de voeten.
Toen de dappere uit het noorden terugkwam en aan zijn moeder vroeg: "Is er nog een man geweest die om het vet van een olifant bedelde?" vertelde de oude vrouw hem dat er een met wonden en zweren overdekte man was gekomen die had geklaagd en gebedeld totdat ze hem een stuk olifantsvet had gegeven. Daar werd de dappere uit het noorden heel zenuwachtig van. Hij liep zoekend om de tent heen en zag dat boven de ingang een knoop van paardenhaar was vastgebonden. "Dit is het merkteken dat de soldaten van de koning zullen komen zoeken," zei hij. Daarop ving hij enkele van zijn paarden, sneed hun staartharen af en knoopte er een hele massa bosjes van die niet van het merkteken waren te onderscheiden. Te paard ging hij de verspreide nederzettingen langs om boven elke ingang zo'n bosje te binden. Daarna keerde hij naar huis terug.
Intussen kwam de met wonden en zweren overdekte man bij de koning aan. Toen hij hem zijn stuk olifantsvet liet zien en hem vertelde dat hij het merkteken had aangebracht, was de koning tevreden. Hij gaf de man enkele geldstukken, zond hem naar huis en droeg zijn soldaten op: "Boven welke ingang jullie dit merkteken ook aantreffen, grijp de bewoners van die tent en breng ze hier!"
De soldaten keerden de volgende ochtend terug met het bericht: "Boven alle ingangen in de nederzettingen is hetzelfde bosje paardenhaar als merkteken vastgebonden!" Toen de koning dat hoorde, was hij ten einde raad. Hij zei: "Binnenkort is het obo-feest. Dan zal ik naar de heiligste obo gaan en daar om hulp vragen." Maar hij dacht: Dit is een buitengewoon slimme kerel, en het zal hem toch niet lukken op het obo-feest zijn identiteit voor mij verborgen te houden!
Enige dagen later werd het obo-feest gehouden. De koning ging naar de obo en nadat hij zijn verering had betoond, bracht hij nog een bijzonder verzoek naar voren: "Laat de man die mijn goud en zilver heeft gestolen en die de witte olifant heeft gedood vandaag nog achter de obo-heuvel in onmacht vallen!" Dit verzoek herhaalde hij enkele malen. Na het gebed riep hij zijn soldaten bij elkaar en beval: "Ga achter de obo-heuvel staan en let goed op. Zodra iemand in onmacht valt en op de grond blijft liggen, scheer hem dan - omdat het gebruik verbiedt dat iemand tijdens het obo-feest gevangen wordt genomen - zijn rechterwenkbrauw af."
De dappere uit het noorden, die door het aanbrengen van de merktekens de soldaten van de koning om de tuin had geleid en onverrichter zake had laten terugkeren, was al op weg naar het obo-feest. Toen hij achter de obo-heuvel langs reed, werd hij plotseling duizelig. Hij verloor het bewustzijn en viel van zijn paard. De soldaten van de koning vonden de dappere in onmacht en scheerden zijn rechterwenkbrauw af. Maar na afloop van het feest dronk de achtergebleven jeugd als mannen onder elkaar brandewijn. Uiteindelijk wankelden ze weg, maar velen van hen waren zo dronken, dat ze aan de achterkant van de obo-heuvel van hun paard rolden en in slaap vielen.
Toen de dappere uit het noorden bijkwam en om zich heen keek, was het nacht geworden. Hij vroeg zich af hoe hij daar terecht was gekomen, wreef slaperig over zijn gezicht en merkte dat zijn rechterwenkbrauw was afgeschoren.
Zodra tot hem was doorgedrongen wat dit betekende, trok hij zijn mes, om op het terrein van het obo-feest bij iedereen die brandewijn had gedronken, van zijn paard was gegleden en in de steppe lag te slapen de rechterwenkbrauw af te scheren. Daarop keerde hij naar huis terug.
De volgende ochtend droeg de koning zijn soldaten op: "Breng me degene bij wie de rechterwenkbrauw is afgeschoren. Misschien heeft deze man het bij nader inzien niet bij één wenkbrauw gelaten, en heeft hij zelf zijn andere wenkbrauw afgeschoren. Grijp daarom ook degene die beide wenkbrauwen mist!" Zo, nu zullen we hem krijgen, dacht de koning verheugd, maar zijn soldaten kwamen aanzetten met een massa mensen die hun rechterwenkbrauw of beide wenkbrauwen misten. De koning gaf het op. "Nou," zei hij, "de man die mijn goud en zilver heeft gestolen en die de witte olifant heeft gedood, moet maar naar me toe komen. Mijn verstand is niet opgewassen tegen het zijne. Ik zal ten gunste van deze man afstand doen van de troon en mijn koninkrijk aan hem schenken." Zo besteeg de dappere uit het noorden de troon en hij nam de oude moeder, de vrouwen en de kinderen van de dappere uit het zuiden in zijn eigen familie op. Hij leefde gelukkig en verheugt zich nog altijd in vrede en welvaart.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Het verhaal van de os   of  Wie of wat is de grootste
Een verhaal uit Mongolië

Lang, lang geleden was er eens een enorme os. In zijn hoofd, nieren en achterwerk leefden drie rijke mannen. De rijke man die leefde in het hoofd van de os, had een winter- en een lenteplaats. De man die leefde in de nieren had een winter-, lente- en een zomer plaats. De rijke man in het hoofd zei tegen de man in het midden: “De os heeft al dagen geen gras gegeten”.
De rijke man in het midden bracht de boodschap over aan de man die leefde in het achterwerk van de os: “Zijn lege en uitgemergelde buik gaat naar binnen vallen”.
“Nou, ik leef hier al jaren. Hoe kan dat nu opeens?”, vroeg de rijke man die in het achterwerk woonde. Deze man verzamelde altijd de os z’n uitwerpselen om er vuur mee te maken. Maar dat zou niet lang meer doorgaan, want de os stierf. De vos at alles op, tot er van de os niets meer over was. Alleen het schouderblad bleef achter in de steppe.
Zeventig strijders kampeerden op het schouderblad en sloegen hun tenten erin vast. Toen de strijders weer wegwaren vloog er een vogel langs. De vogel pakte het stuk bot in z’n snavel en vloog ermee weg.
Ergens verderop zocht een oude man onderdak voor de regen in de baard van een dikke witte springbok, toen de vogel ging zitten op de geit z’n hoorns. Maar toen de vogel begon te eten van het schouderblad, viel het naar beneden en kwam vast te zitten in het oog van de oude man die daar schuilde. Het deed de oude man zo veel pijn dat de buren kwamen kijken. Ze gebruikte schoppen en bijlen om het bot er weer uit te krijgen. Maar tevergeefs.
De oude man ging terug naar huis waar z’n vrouw probeerde het bot uit z’n oog te likken.

Dus wie of wat in dit verhaal was het grootst?

Alleen een gek zou geloven dat het schouderblad het grootst was. Alleen een idioot zou denken dat de vogel het grootst was. Wie denkt dat de man de grootste was, heeft lang en diep nagedacht. Wie beweert dat de vrouw het grootst was heeft er niet lang over nagedacht. Een slim persoon zou zeggen dat de springbok het grootst was. En een persoon met een groot inbeeldingsvermogen zou zeggen dat de zeventig strijders de grootste waren.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Legendes zijn waarschijnlijk de oudste voorbeelden van volksliteratuur in Mongolië. Het schijnt een van de basisbenodigdheden van de mens (overal in de wereld) te zijn om de wereld om hen heen te begrijpen.

Vandaag de dag is er de wetenschap. Hierdoor weten we dat bergen zijn ontstaan door vulkanische activiteiten of continentale driften. Vroeger wisten ze dit nog niet, dus de bevolking die honderden jaren geleden leefden, probeerde andere verklaringen te vinden. Deze verklaringen kwamen in de wereld als verhalen en dat was de geboorte van legendes.
Deze verhalen spelen in sommige landen nog steeds een belangrijke rol.

 ---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

Hieronder treft u een legende aan die laat zien hoe de Mongoolse bevolking dacht dat de wereld werkte.

Ekhji Mergen  of  Waarom de marmot geen duim heeft

Er waren eens lang geleden zeven zonnen in de lucht. Een verschrikkelijke droogte zorgde ervoor dat de aarde uitdroogde en scheurde. De rivieren droogden op, planten en bomen kwijnden weg, de bevolking leed erg onder de hitte en de dieren gingen dood. Dit alles leek onvermijdelijk.
Maar in één regio leefde de knappe boogschutter Erkhij Mergen. Hij schoot op veel verschillende dingen en raakte daarbij alles waar hij op mikte. Toen de mensen hier achter kwamen, reisden zij in grote hoeveelheden naar hem toe en smeekten hem te schieten op de zeven zonnen. Hij zou ze kunnen vernietigen als hij er maar op schoot.
De boogschutter, Erkhij Mergen, was erg verwaand, omdat hij zo nauwkeurig kon schieten. Hij was een strenge en trotse man. Dus deed hij een belofte.  Hij zei ”Als ik de zeven zonnen niet kan vernietigen met zeven pijlen, dan zal ik mijn duim eraf hakken en ben ik niet langer meer een man. Ik zal geen schoon water meer drinken, het droge gras van afgelopen jaar eten en ik zal de rest van mijn leven als een marmot in een donker hol onder de aarde doorbrengen”.
Vanuit het oosten schoot hij op de zeven zonnen, de een na de ander van oost naar west. Nadat hij de zesde zon naar beneden had geschoten, richtte hij zijn boog voorzichtig op de zevende. Maar net op dat moment kwam er een zwaluw voorbij en verduisterde de zon. Toen Erkhij Mergens pijl los kwam van de boog raakte het niet de zon maar de zwaluw zijn staart. Dit is ook de reden waarom een zwaluw een ‘vork staart’  heeft.  De laatste zon was bang geworden van Erkhij Mergen en probeerde zo snel mogelijk zichzelf te verbergen achter de bergen in het westen.
Erkhij Mergen dacht bij zichzelf: “De zwaluw verhinderde mijn zicht’, dus pakte hij zijn paard en ging achter de zwaluw aan om hem te doden. Zijn paard zwoer: ‘Ik zal die zwaluw achternazitten van zonsopgang tot zonsondergang. Als ik hem dan nog niet gevangen heb dan hak ik mijn voorbenen eraf en gooi ze weg. Dan ben ik niet langer meer een paard. Ik zal dan leven op een ongelijke en ruige plaats.”
Maar hoe snel het paard ook rende, de zwaluw was steeds buiten bereik en vloog vrolijk rond hun hoofden. Uiteindelijk kwam de zonsondergang en het paard had de zwaluw niet bij kunnen houden. Erkhji Mergen werd erg boos en hakte de twee voorbenen van zijn paard eraf. Sindsdien leeft het paard op een ongelijke en ruige plaats en is het een Mongoolse springmuis geworden. Deze heeft immers korte voorpoten.
Het schijnt dat de zwaluw nog steeds ruiters bespot, al zingend  ‘Pak me dan als je kan”.
De trotse Erkhji Mergen bleef trouw aan zijn eigen belofte en hakte zijn duimen eraf. Hij leefde niet meer als een man, maar als een marmot. Hij dronk geen schoon water meer, at gras van het afgelopen jaar en leefde in een hol onder de aarde. Sindsdien, zo beweert men, heeft de marmot maar vier vingers aan elke poot. Elke ochtend vergeet Erkhji Mergen dat hij een marmot is en komt uit zijn hol en wacht tot de zon op komt op om de laatste zon in de lucht neer te schieten.
Er is een stukje marmot vlees dat ‘mensenvlees’ heet. Dit vlees mag door geen enkel mens gegeten worden. De Mongoolse bevolking gelooft dat dit het vlees van Erkhij Mergen is.
De enige zon in de lucht blijft bang voor Erkhji Mergen en verbergt zich achter de bergen in het westen. Daarom is er dag en nacht.

---------------------------------------------------------------------------- top ----------------

 

 

top | vorige