Cedar Gallery


Cedar info  |   Nieuws   |  Educatie  |   Links   |  Vriend/Donateur   |  Contact | Engels

 

 

Kunstenaars

Architectuur

Boeken

Design

Films

Fotografie

Letters

Schilderijen

Bomen

Religie

Thema's

China

Japan

Rusland

 

 

                                                                                                                                                                      

                                                                                                                                                                               

 Letters: verhalen en gedichten  

DICHTERS

Anna Achmatova
Dop Bles
Joseph Brodsky
Frans de Cort
Mircea Dinescu
Apollon Grigorjev
Daan de Ligt
Moisje Nadir
Paul van Ostaijen
Maria Petrovych
E.J. Potgieter
J.C. van Schagen
André Sollie
Aleksander Soemarokov
Vladimir Solovjov
Benjamin Valdivia
Erwin Vogelezang
Hans Warren

recent toegevoegd:

J.C. van Schagen
 

a - b - c - d

 

In andermans handen

Die heb ik niet nodig,
Ik heb er genoeg binnen eigen bereik.
Maar wat maakt zijn mond dan zo zoet en zo rozig
Dat ik er met zoveel verrukking naar kijk?
Hij spreekt maar m’n schande en maakt me maar zwart!
Maar hoor – in zijn stem wordt een steunen gesmoord.
Nee, nooit overtuigt hij me dat nu zijn hart
In blinde verliefdheid een ander behoort.
En nooit zal ik aannemen dat je, wanneer
De liefde een hemels geheim is geweest,
Weer lacht en weer huilt met de angst van weleer,
En dat je mijn vurige kussen verwenst.

Anna Achmatova
Vertaling Hans Boland, uit: Requiem

 

´s Avonds

Er was muziek, een zoete wijs
Klonk in de tuin, onzegbaar treurig.
Een zilte zeelucht, fris en geurig,
Van oesters op een schotel ijs.

"Ik ben een ware vriend", zei hij,
Terwijl zijn hand mijn kleren raakte.
Maar het gebaar dat hij zo maakte
Kwam een omhelzing niet nabij.

Zo aait men katten, zo aanschouwt
Men amazones, onbewogen ...
Een lach slechts blonk er in zijn ogen
Onder het lichte wimpergoud.

En een viool met droeve klank,
Die het gordijn van rook doorkliefde,
Zong zacht: "De hemelen zij dank,
Voor 't eerst alleen met je geliefde."

Anna Achmatova, 1913
Uit: Het zesde zintuig, Leiden 1997., vertaling Marja Wiebes en Margriet Berg.

 

Tweede lied

Hoe scheen daar en zong
Het wonder van onze ontmoeting.
Ik wilde in de tijd blijven staan
En niet meer weggaan daarvandaan.
Bitter en zoet was voor mij
Geluk in plaats van plicht,
Ik heb lang gepraat
Met wie ik niet mocht praten.
Laat hartstochten, de minnaars verstikken,
Een antwoord verlangend.
Wij echter, liefste, zijn slechts zielen
Tegen de rand van het bestaan.

Anna Achmatova, 1956

 

Bij het niet versturen van mijn epos

Het huis waar jij en ik niet wonen,
De wind die opsteekt vanuit zee,
Het raam waar wij ons niet vertonen,
De ceder, luwte voor ons twee ...
Ik had die regels willen sturen
Aan hem - natuurlijk hij bestond!
Hij zou het glimlachend verduren,
Al was zijn hart opnieuw verwond.

Anna Achmatova, 1963
Uit: Maar mijn liefde voor jou maakt me machteloos, Amsterdam 1999.
Vertaling Hans Boland.

 

Herdenking

Nous n’aurons jamais plus notre âme de ce soir.
HENRI BERGSON

De hemel is één sterrenregen,
Maar niet als in die ene nacht.

Uw hoofd zo zoet tot mij genegen
Maar niet als in die ene nacht.

Wel kunnen onze lippen kussen,
Maar niet als in die ene nacht.

En ’t hartsvuur zal de lust wel blussen
Maar niet als in die ene nacht.

Uw ogen zijn vol ziel gelopen,
Maar niet als in die ene nacht.

In onze adem hijgt een hopen,
Maar niet als in die ene nacht.

Dit samen-zijn zal schoon verbloeien,
Maar niet als in die ene nacht.

Plots gaat een gaal weer klanken sproeien,
Maar niet als in die ene nacht.

Straks strenglen streling moede handen,
Maar niet als in die ene nacht.

Als flauwe schemer blauwt de wanden,
Maar niet als in die ene nacht.

Dan is de droom gekeerd tot dromen,
Maar niet als in die ene nacht.

O, nimmer, nimmer dat kan komen
Wat eens was in die ene nacht.

Dop Bles
Uit de bundel: Verspreide verzen

 

Debuut 1

Bevrijd van de tentamendruk had zij
voor zaterdag een vriend gevraagd te komen;
't was avond, kaarslicht, en zelfingenomen
stond er de dichtgekurkte fles rosé.

Maar zondagochtend ving met regen aan;
en de logé sloop, een ervaring rijker,
steels weg en nam zijn kleren van de spijker,
die onbeholpen in de kalk bleef staan.

Ze pakte van t bureautje bij de muur
een mok en goot het restje thee naar binnen.
De woning sliep nog op dit vroege uur.
Ze lag in bad en voelde hoe in t midden

de bodem bladderde, en plotseling
kroop toen de leegte, licht naar badzout geurend,
haar lichaam in door nog een opening
die na vannacht bekend was met de wereld

Joseph Brodsky
 

Liefde

'k Werd wakker en ontdeed me van de deken.
Liep naar het raam. De lichten in de ruit
beëindigden een zin, in slaap geuit,
maar brachten, net als een beletselteken,
mij geen vertroosting, gingen langzaam uit.

ik droomde dat je zwanger was en, gek,
na zoveel jaar van jou te zijn gescheiden,
bekroop me toch een schuldgevoel. Mijn beide
handen die net nog blij jouw ronde buik
betastten, graaiden naar mijn broek en reikten

omhoog naar 't knopje van het licht. Ik stond
bij 't raam en wist dat jij je daar bevond,
in 't donker, in de droom alleen gebleven.
Je wachtte tot ik terugkwam, uit je mond
klonk geen verwijt, je wilde me vergeven.

Want zolang jij daar in dat donker wacht
duurt voort wat door het licht wordt afgesneden.
Daar blijven we verbonden in de echt,
en kinderen zijn het excuus, de reden
dat wij er naakt, tweeruggig zijn verhecht.

Eens op een nacht zal jij opnieuw voor mij
verschijnen, dodelijk vermoeid en mager.
Ik heb er dan een zoon of dochter bij,
een baby nog. Ik zal het dan niet wagen
de lamp weer aan te doen: ik ben niet vrij,

heb niet het recht jullie alleen te laten,
als opgeslotenen in dat domein
van stomme schimmen, sprakeloos en klein
voor de hoog opgetrokken haag der dagen
die mij zo onbenaderbaar doet zijn.

Joseph Brodsky
 

Elegie

M’n lieveling, de kroeg is nog hetzelfde,
dezelfde rotzooi pronkt nog aan de muren,
dezelfde prijzen. Beet’re wijn misschien?
Ik dacht van niet; niet beter en niet slechter.
Een status quo, en ach, zo hoort het ook.

Een vliegenier zit sombertjes alleen,
als een gevallen engel, drinkt z’n wodka.
Violen werken in op mijn verbeelding,
vanwege vroeger. Buiten tekenen
zich maagd’lijk witte daken af, en ergens
begint een klok te luiden. ’t Is al nacht.

Je loog, waarom? Waarom kan ik niet langer
een leugen van de waarheid onderscheiden,
en eis ik nieuwe woorden, steeds maar weer,
gedempte, vreemde en jou onbekende,
maar woorden welke, net als in ’t verleden,
uitsluitend kunnen komen uit jouw mond.

Joseph Brodsky
Uit:"De herfstkreet van de havik", uitg. De Bezige Bij 1e druk 1989
Vertaling: Peter Zeeman

 

Wanneer Gij mij beziet

Me koesteren in de stralen
der gulden lentezon:
de eerste prijs behalen
bij ‘t schieten naar de ton;
met boerenmeiden dansen
en tuimelen over ‘t gras:
mij met de rook omkransen
van echte varinas.

Dat al, rechtuit gesproken,
haalt bij de wellust niet,
die gij verwekt, Katoke,
wanneer ge mij beziet!

De vogels horen kwelen
van minnevreugde of pijn;
de vrienden poetsen spelen,
die fijn en grappig zijn;
al zingende vergeten
de kwaal, waaraan ik lij;
gestoofde kolen eten
met runderworst daarbij.

Dat al, rechtuit gesproken,
haalt bij de wellust niet,
die gij verwekt, Katoke,
wanneer ge mij beziet!

De bloemekens zien drinken
de dauw, verfrissend nat;
de beiaard horen klinken,
als ‘t feest is in de stad;
een maagdelijn betrappen
in Eva’s kuis gewaad:
mijn leger binnenstappen,
als ‘t uur der spoken slaat.

Dat al, rechtuit gesproken,
haalt bij de wellust niet,
die gij verwekt, Katoke,
wanneer ge mij beziet!

De spin in hare webben
zien dartelen op en neer;
een regenscherrem
hebben bij dito-achtig weer;
onchristene wijnen proeven,
‘t is eender waar vandaan;
bij ‘t kaarten al de troeven
met kracht op tafel slaan.

Dat al, rechtuit gesproken,
haalt bij de wellust niet,
die gij verwekt, Katoke,
wanneer ge mij beziet!

M'n kin en wangen scheren
met blinkend Engels staal;
soldaten zien marcheren,
vooraan hun generaal;
uit enge laarzen springen
in sloffen wijd en breed;
en duizend andere dingen.
die ‘k in der haast vergeet.

Dat al, rechtuit gesproken,
haalt bij de wellust niet,
die gij verwekt, Katoke,
wanneer ge mij beziet!

Frans de Cort
Uit de bundel: Liederen 1868

 

Lawine

Op 11 november om 9 uur 's ochtends
had ik een afspraakje
met een jeugdige lawine van sneeuw
in de Himalaya
op een uiterst lieftallig hellinkje.
Dat had me toch een liefde op het eerste gezicht kunnen worden,
maar voordat ik een paspoort kreeg
voordat ik verklaringen over mijn verwanten had ingevuld
voordat ik mijn koffers had gepakt
voordat ik een ticket had gekocht
voordat de douanebeambten me hadden betast
voordat de metaaldetectors me hadden besnuffeld,
was zij om kwart over 9
beledigd en overstuur
het dal ingesneld met een Griek en twee Japanners...

Heer, verlicht deze instituten der droefheid
deze instituten die tegen de liefde strijden
tegen de liefde en de dood

Mircea Dinescu
ver.: Jan Willem Bos

 Terug naar DICHTERS  ^

 

e - f - g - h

 

Gevecht

Nee, ik houd niet, ik houd niet van haar...
't Is de macht van 't gewone verlangen!
Maar hoe komt het dan dat ik haar woorden wil vangen,
En met heimlijke schrik naar haar staar?

Waarom word ik door 't simpele woord
Van dit kind met haar vrouwelijk lachje bewogen,
Wordt mijn rust door de schuchter-nadenkende ogen
Van die ijle verschijning verstoord?

Waarom ben ik toch zo van mijn stuk
Als ik bij haar ben, blij en toch treurig,
waarom beef ik toch onwillekeurig
Bij het afscheid wanneer ik haar hand even druk?

Waarom kijk ik soms naar haar doorschijnende wang
Met een wrok die ik niet kan verklaren?
Waarom ben ik ook af en toe bang
Dat ze als een verschijning ten hemel zal varen?

En ik luister, terwijl ik geboeid naar haar staar,
Naar haar lieflijk gepraat, naar dat kinderlijk zoete;
Waarom zou ik toch bang zijn om haar te ontmoeten?...
Want ik houd niet, ik zweer het, ik houd niet van haar.

*

Vaarwel, vaarwel! O, als je wist hoe zwaar,
Hoe moeilijk het me valt, dit woord van scheiden...
Mijn borst wil zich van deze last bevrijden,
En in mijn hoofd, dat pijnlijk aandoet, strijden
Opnieuw steeds dwazer dromen met elkaar.

Ik had ze ingetoomd, verjaagd, gebonden
Door liefdes heiligende heerschappij;
Plicht, vechtlust had ik door 't geluk gevonden;
Zuivere hartstocht redde mij van zonden,
Ik was de heerser over haar en mij.

Ik, die jaloers was, lijdend, fel bewogen,
Was altijd rustig en sereen bij jou,
Ik was bij jou, mijn engel, ingetogen!
Ik klaagde niet, maar weende, - 't hoofd gebogen, -
Bittere tranen van oprecht berouw.

Vaarwel! Vaarwel! Opnieuw grijnst het me tegen,
Dit zware stempel op mijn zwaar bestaan
Van 'n vloek die niet door spijt is uit te vegen...
Maar nu, door het ervaren van de zegen,
Zal ik mijn lijden duldzaam ondergaan.

Apollon Grigorjev (1822-'64)

 Terug naar DICHTERS  ^

 

i - j - k - l

 

Onmogelijke liefde

je houdt me met een stille blik gevangen
en staart me met bevroren ogen aan
betoverd blijf ik zwijgend voor je staan
in twijfel tussen schaamte en verlangen

het lijkt alsof je heim’lijk om me lacht
plezier beleeft aan een hardvochtig spelen
een minnaar die je nooit zal mogen strelen
en die zo kansloos op een teken wacht

je schepper is een kunstenaar geweest
op zijn palet begon jouw eeuwig leven
zijn hand werd kalm bewogen door de Heer

als meester van z’n artistieke geest
hij heeft je zoveel schoonheid meegegeven
mijn teer beminde meisje van Vermeer

Daan de Ligt

 Terug naar DICHTERS  ^

 

m - n - o - p - q

 

Haar Briefje

Ze schrijft me een gortdroog briefje
het heeft een gortdroge klank
Ik dompel het in een pietsje
alcoholische drank

De letters beginnen te dansen
hun voetjes gaan van de grond
ik fantaseer haar borsten
en Mona Lisa-mond

De woorden - zwarte monniken
gevat in een sneeuwlandschap -
beginnen al te grinniken
waardoor ik ze beter snap

Een zeldzaam liefdes-stofje
vliegt plotseling in mijn oog
en laat als een fonkelend slokje
mijn arme wimpers niet droog

Moisje Nadir
Narajev 1885 - New York 1943

 

Een Lied

Een vrouw die, een heideheuvel afdalend, kleine, paarse
heidebloemen strooit over het hoofd van de welbeminde
en lacht, zó zijt gij tot mij gekomen
zomerlik reëel, sterke
ziel van buiten, geworden tot mijn ziel;
kracht, die weer buitenwaarts gaat.

Paul van Ostaijen

 

Verleen mij een weerzien op deze aarde,
Een weergaloos weerzien met jou, doodverklaarde,
Want zonder jouw liefde kost ademen kracht.
gedenk mij, kijk over je schouder en wacht!
Verleen mij een weerzien daarginds in het zuiden,
Waar wind de weerbarstige hellingen schuinde,
De zee ons met kleurige golven verwende,
Het hart ongelukkige liefde ontkende.
Herinner ons eerste geheime ontmoeten,
Toen mensen op straat ons onrussisch begroetten;
We zochten getweeën de stad te verlaten
Langs schamele huisjes, door bochtige straten.
De buurt was armoedig, had weinig te bieden,
Maar weet je nog dat op de vuilpiramiden
De flessen en blikjes als ware juwelen
Van prachtige dingen te mijmeren schenen?
Het pad liep omhoog naar het wolkengewemel...
Die kus, weet je nog, bracht ons tot in de hemel...
De datum vervaagde maar niet jouw gezicht,
Jij werd van die dag af mijn lucht en mijn licht.
Ach, konden de jaren zich derwaarts bewegen,
Dan kwamen wij tweeën elkander weer tegen...
Verleen mij een weerzien bij ons op de aarde,
Beschut door de warmte die jouw hart bewaarde.
We worden herenigd, verliefd als tevoren,
Zolang we nog zien en
Zolang we nog horen,
Zolang we nog leven.
Ik vraag je, ik smeek je dit ene te geven:
Verleen mij een weerzien, al is het voor even,
Te midden van volk op een herfstige kade.
Ik krijg haast geen adem en bid om genade.
Verleen mij een weerzien bij jouw lichte ogen
Desnoods op mijn sterfbed als hoop lijkt vervlogen.

Maria Petrovych (1908-'79)

 

Machteld

Machteld had wel horen luiden,
Wat of vensterkens beduiden
Die des avonds open staan;
Maar een weinig frisse koelte
Was zo welkom na de zoelte.
En het hare stond maar aan.

Ook scheen 't zuchtje louter weelde,
't Zij het schalks haar boezem streelde,
't Zij het suisde in 't blonde haar;
Echter wuifde 't uit het lover
IJlings meer dan geuren over,
Zoet accoord van stem en snaar.

Als zij 't venster nu ging sluiten,
zou de minnezanger buiten
Haar in de onderkeurs bespiên;
En dies zocht zij, schaamrood, schuchter,
Met de vingers om den luchter,
Achter 't saai gordijn te vliên.

Maar al had zij horen praten,
Dat hij dra wordt ingelaten
Die 't ons op zijn luit bediedt -
Niet te luist'ren naar zijn bede,
Niet te naad'ren, ook geen schrede,
Dat gedoogde 't hartje niet

Op haar blote blanke voetjes
Sloop zij zachtjes, sloop zij zoetjes
Dies naar 't raam. Wat fraaie val!
Hoor, hij zong niet: Wil mij minnen!
Hoor, hij bad niet: Laat mij binnen!
Neen, hij prees haar schoonst van all'.

Was de waarheid wat hij kweelde,
Dat de lieve lach, die speelde
Om haar lipjens, 'kus mij!' riep,
Maar dat de opslag van haar oogjes
Wacht hield bij die nektartoogjes?
Hoe zij naar den luchter liep!

Zie, al had zij horen preken
Dat de boze liefst zijn treken
Uitspeelt achter 't spiegelglas,
Waarom zou zij, nu slechts muren
Haar bespiedden, niet eens gluren,
Of zij de allermooiste was?

En zij keek eens en zij knikte,
en zij keek weer en zij blikte
op haar vlugge beentjes neer;
En zij danste een passedijsje,
Naar een zacht geneuried wijsje
En zij knikte keer op keer.

Maar het was, terwijl zij zwierde,
Of het luik op 't hengsel gierde,
Of... doch langer geen geluid;
Echter kraakte vast de wingerd,
Om haar vensterke geslingerd,...
Wie sprong binnen? 't Licht woei uit!-

E.J. Potgieter

 Terug naar DICHTERS  ^

 

r - s - t - u

 

Romantisch

De oude beuk is verliefd op de vijver
bevend strekt hij de stramme armen over haar neer
en schoon is zijn gebaar
van eerbiedig verlangen
en van brede ernst
zij is diep en zwart
waar zij hem kust, sterft hij

J.C. van Schagen
Uit: 'Ik ga maar en ben', Van Oorschot 1972


terwijl ze hem kust
ziet ze dat zijn overhemd
in de was moet

J.C. van Schagen
 

Verliefd

‘k Had gedacht dat ik… Hoe heet dat?
Dat het me wat meer zou doen.
Dat ik nachten niet zou slapen
na die allereerste zoen.

En m’n hoofd niet naar studeren;
niet meer eten ook, afijn:
louter leven van de liefde.
Rozegeur en maneschijn.

Maar ik voel echt niks bijzonders;
beide voeten op de grond.
’t Zal vast reuze abnormaal zijn,
‘k ben misschien niet eens gezond!

’t Zou natuurlijk ook nog kunnen
- daarop houden we het dan maar -
dat dat meisje wel op mij viel
en ik (sorry) niet op haar.

André Sollie

 

Tevergeefs tracht ik mijn hartepijnen te maskeren,
Tevergeefs zie ik er rustig uit.
'k Ben geen ogenblik in staat om te kalmeren,
Het is overmacht waar ik op stuit.
t Zwoegen van mijn borst, de tranen in mijn ogen
Leggen zonneklaar mijn lijden bloot;
O je hebt een farce gemaakt van al mijn pogen,
Jij, wolf, hebt mijn vrije wil gedood!

Door jouw toedoen ben ik in een hel beland en
Komt mijn kalm gemoed niet meer tot rust,
Jij ontstal mijn vrijheid, legde mij aan banden,
Ik verloor door jou mijn levenslust.
Misschien zucht je - wreder lot kan mij niet prangen -
Onbekommerd naar een andere vrouw,
Misschien lijd je, doelloos brandend van verlangen,
Evenveel om haar, als ik om jou.

'k Wil je zien, maar raak ontredderd bij je aanblik,
In je bijzijn krijg ik het benauwd,
Zonder jou peins ik weemoedig: zou hij waarlijk
Weten dat ik zielsveel van hem houd.
Schaamte poogt de passie uit mijn hart te drijven,
Hartstocht wil op haar beurt schaamte kwijt.
In die strijd kan mijn verstand niet helder blijven,
Breekt mijn hart in stukken, brandt en lijdt.

't Leven is voor mij een reeks van folteringen,
'k Wil me uiten, schaam me, durf het niet,
En ik weet niet wat ik wil of moet beginnen,
Enkel dat ik doodga van verdriet.
Waar ik ga of sta ben jij in mijn gedachten,
Vormt mijn geest jouw lieve beeltenis;
Ben in vlam gezet door wrede minnekrachten,
Zeker is dat ik je voortaan mis.

*

Treur niet, mijn lief! Zelf heb ik ook een droef gemoed
Omdat ik jou zo lang al niet meer heb ontmoet -
Mijn ijverzuchtige gemaal laat mij niet gaan;
Wat ik ook doe, hij zet geen stap bij mij vandaan.

Hij dwingt mij ieder ogenblik bij hem te zijn.
Hij zegt: 'Je lacht niet meer, wat is er, heb je pijn?'
O ik verlang naar jou, mijn lief, de ganse tijd,
Je bent in mijn gedachten, schenkt me geen respijt.

Ach! welk een leed, ach! welk een niet te torsen wee
Viel mij ten deel, draag ik zo jong al met me mee;
Voorgoed met hem in eendracht leven kan ik niet,
Ik zal geen vreugd meer kennen, enkel nog verdriet.

De snoodaard heeft mijn ganse jeugd tenietgedaan,
Weet echter dat ik in gedachten pal blijf staan,
Al stoot hij mij nog in een dieper tranendal,
Weet, lieveling, dat ik je eeuwig minnen zal.

Aleksander Soemarokov (1718-'77)

 

Liefste, zie je dan niet dat
Wat we kijkende ervaren
Slechts de afschaduwing is
Van wat ogen niet ontwaren?

Liefste, hoor je dan niet dat
Straatlawaai en harde woorden
Slechts de valse echo zijn
Van welluidende akkoorden?

Liefste, voel je dan niet dat
Er maar één ding blijkt te tellen -
Dat wat harten tot elkaar
In doofstommenspraak vertellen?

Vladimir Solovjov (1853-1900)

 Terug naar DICHTERS  ^

 

v - w - x - y - z

 

Onuitgegeven fragment van Socrates

Ik weet alleen dat ik niets weet van de luchtspiegeling
genaamd je blik:
koortsachtig als de dorst
zoekt de geest verzadiging,
onveranderlijke verzadiging.

Maar kalmte is onmogelijk als je hand
- school van vijf vissen,
vertakking van vijf vogels - mij aanraakt.

De hele geometrie die de rede beraamt
stort ineen in mijn keel, verstomd,
en als de maanzieken draai ik
mijn hoofd naar jou.

Ik denk niet, kijk alleen, betast.
En tegenover je lauwe lichaamstempel weet ik alleen
dat ik niets weet.

Benjamin Valdivia

 

de kruimels blijven over

1

liefde is niet als een rivier
die wild en vrij door land gaat
dat je al zo lang zo grondig kent.

niet de wind die deze woorden
van mijn lippen raapt en wegblaast
als vroege mist van gras.

nee, liefde is zwart en taai
als teer op longen
en wordt evenmin vergeven.

2

ik volg je naar ons huis
alsof woorden kruimels zijn
die van je lippen vallen

en liefde weer als brood is:
te warm nog om te snijden
maar al met korst over de wonden.

Erwin Vogelezang

 

Bekentenis

Met zoveel liefde heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het zeggen van je naam mij is gebleven
een liefkozing, waar ik dagen op kan leven.

En dit is de liefste herinnering:
hoe op het plein, een honinglied van linden,
vanuit de schaduw over witte straten
je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden

sloegen de gele zijde van je kleed
tegen je ranke lichaam, en je ogen
waren van heimwee raadselig verwijd.
Hoevele zomers zijn sindsdien vervlogen.

Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het een liefkozing der lippen is gebleven
je naam te zeggen als ik eenzaam ben.

Hans Warren

 Terug naar DICHTERS  ^

- - - - - - - - -


Eén van de vaste rubrieken op Cedar Gallery is GEDICHTEN.
Dit onderdeel biedt zowel een podium voor aankomend talent, als voor dichters die reeds naam hebben gemaakt.
We nodigen vooral nieuwe en nog onbekende dichters uit om bijdragen in te zenden, die passen bij het thema Liefde.
U kunt uw bijdragen opsturen naar: cedars.letters@live.nl
Gedichten over andere thema's vindt u HIER.
Vertaalde gedichten van Russische dichters staan bij de rubriek Rusland.
Verder is er een aparte rubriek haiku, tanka en senryū (Japan).

 

 

 

 

top | naar gedichten  | naar  verhalen en gedichten

 

Cedar Gallery is gratis
voor bezoekers, maar
kost de makers wel geld..

cedars.vrienden@live.nl