![]() |
Cedar Gallery
|
|||||||
|
|
Verder leven is voor jou niet
weggelegd
Wat een bitter heden
Anna Achmatova,
1921
Thebe
Met leven toegerust voor beiden,
De muren stonden als verzadigd
Het labyrint verliep in schroeven
Totdat mijn voeten op u stuitten:
dat in mij sloeg; Kerkhof
Om 't
grauw-rood dak en de' ouden torentronk
De
steenen bisschop boog zijn krommen staf
Zoo
daalt nog soms een losgerafeld blad
Ver
dooft in 't donker nog een paardenhoef, C.S. Adama van Scheltema
Van het verdronken Meisje
1. Toen zij verdronken was en naar het dal zwom van de beken tot in de grotere stromen leek het opaal van de wereld zeer wonderbaar alsof het lijk moest intomen.
zodat zij langzaam veel zwaarder werd koel zwommen de vissen tegen haar been planten en dieren bezwaarden nog hier haar laatste vaart.
3. En de hemel werd 's avonds zo donker als rook en hield 's nachts met de sterren het licht in evenwicht. Maar vroeg werd het klaar, zodat er ook voor haar een morgen en een avond was.
4. Toen haar bleke lijf in het water vergaan was gebeurde het (zonder haast) dat God haar gaandeweg vergat eerst haar gezicht, dan de handen en pas op het laatste haar haar. Daarna werd ze aas in stromen vol aas.
Bertold Brecht vert: Geert Istendael
Ter nagedachtenis aan mijn vader: Australië
Ik droomde dat
je nog leefde en geëmigreerd
Toch is dit
stukken beter dan de urn met je as, de eerste keer sinds jij in rook bent opgegaan.
Joseph Brodsky
Gij hebt gezegd dat sterven moeilijk is
Maar neen 't was alles klaar en lichtdoordrongen
Gij hebt zo heerlijk mij gezeid
Al hebt gij nooit verlangd dat ik meer van u hield
En toen haar hartslag aan haar slapen
En toen het laatste gulpje bloed haar mond ontsprong
Gaston Burssens (1896-1965)
Ter gelegenheid van de
dood van
Niet langer zingt mijn
zoetgevooisde
Door het verschrikkelijke duister
De honden wroeten in de aarde,
Jij, zwaluw, zanger zonder weerga,
Een jarenlange disgenote,
't Is leeg rondom. Waartoe nog
leven? Gavrila Derzjavin (1743-1816)
Verzoek aan de schilder Mijn arsenaal van klank en taal bestaat in tijd. Zij niet. Ik vraag
uw hulp. Als ik haar met mijn warme hand, zo zwaar van bloed, wil raken
is er niets. U heeft een vlak met veertien kleuren, een penseel van vossenhaar –
streel haar te voorschijn, groene schaduw bij haar oor en in haar hals een zweem
van oud ivoor. Maak haar een plaats in vezels van uw doek. Roep mij
dan binnen. U staart uit het raam. Ik blijf op anderhalve meter staan.
Zij kijkt mij aan.
Anna Enquist
De tuinman en de doodEen Perzisch Edelman:
Van morgen ijlt mijn
tuinman, wit van schrik,
Ginds, in de rooshof,
snoeide ik loot na loot,
Ik schrok, en haastte
mij langs de andere kant,
Meester, uw paard, en
laat mij spoorslags gaan,
Van middag (lang reeds
was hij heengespoed)
"Waarom," zo vraag ik,
want hij wacht en zwijgt,
Glimlachend antwoordt
hij: "Geen dreiging was 't,
Toen 'k 's morgens
hier nog stil aan 't werk zag staan, P.N. van Eyck |
|
Je gaat nog niet dood
als jij doodgaat
maar je gaat niet dood Jan B.van Grins
|
|
O grote vis, blijf niet stom (1962)
...
De man en de vrouw gaan naar huis.
De laatste keer zien we ze terug;
ze willen niet langer apart.
Dus zet ik ze - 't is wat brutaal,
want geen van beiden is rooms -
bij de plechtige dodenmis
in de kerk op de rots van Zarauz.
(Maar te knielen hoeven ze niet.)
Wie zitten eer allemaal meer?
Maria zo vroom als een vleermuis;
Antonio met zijn soldaten,
en, opgestaan uit de dood,
in het koortje de andere vier.
En nog altijd acterend, de furie.
Ook het vrouwtje van de ballons
en de schoenpoetser zijn present.
Niet de kreupele van de receptie;
dat is een soort kluizenaarskreeft
en hij hééft het niet zo op de kerk.
En José. José mag niet meedoen.
Die ligt in een donkere kist
met zijn handen over elkaar
en zijn voeten naar het altaar.
En mocht het zijn dat hij droomt,
dan niet van engelenschaar,
maar dan droomt hij zich weg van die baar
en droomt hij die om tot een boot,
waar hij met zijn vader op vaart.
Van hem zie ik enkel de rug
en één keer hoor ik hem snuiten.
En God? Waar is God? Hij is daar
in die kleine zilveren doos
met een vis erop en een roos;
in een beetje wijn en wat brood
leeft hij en kàn niet dood.
Maar, is het wel waar? Is het waar?
Tussen ongeloof en geloof
baant de man zich moeizaam een weg.
Hij kijkt om zich heen op het plein.
Oud licht brandt als roest op een muur.
Een blad laat los van een boom,
het drijft op en neer in de wind,
langs de zwarte man op de bok
en verdwijnt in een put in de grond.
O God, maak de deuren nu open,
laat José de trappen aflopen,
O God, grote vis, blijf niet stom.
Ed. Hoornik (1910-1970)
Uit: Ed. Hoornik, De Vis. J.M. Meulenhoff, Amsterdam,
1962
De wereld van de sjtetl...
Niets is er meer van over, niets,
Alsof Vespasianus
hier brandstichtend
en plunderend is langsgekomen.
Die losbol van een slager
verkocht zijn laatste schuine witz,
De dorpsgek die op straat zong
zingt nu alleen nog in mijn dromen.
Ik ben daaraan gewend -
verbazing ken ik noch ontzag.
Maar mijn oude vader,
mijn oude vader wil per se weten
Hoe het volk als slachtvee
werd afgevoerd op klaarlichte dag,
Hoe kinderen smeekten,
zich vergeefs de ogen uitkreetten.
Mijn blind geworden vader
is deze wereld dierbaar en vertrouwd.
En zijn beverige hand
(de ogen hebben ál te veel geleden)
Betast de woningen,
de synagogen,
de zerken, jong en oud:
Een vertrouwde wereld
van beelden waar hij is uitgetreden.
Die vertrouwde wereld,
die beelden, dat is nu verleden tijd.
En al gaf je de Duitsers
vijftien jaar cel voor elke kogel,
Dan kon de slager toch
zijn schuine moppen niet meer kwijt,
En door de straten zou
de stem niet klinken
van die vreemde vogel.Naoem Korzjavin (1925)
O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.J.H. Leopold (1865-1925)
Dood
Mijn vader ging dood – ik was toen zeven –
dat was heel erg, maar erger was :
die ochtend had ik hem geen kus gegeven.
Ik kwam die dag voor de eerste maal
van school thuis met een tien voor taal ;
had hij geen dagje kunnen wachten?
Later ging ook mijn broertje dood.
Ik heb gehuild, kon hem niet missen,
´k was toen al banger voor de dood.
Ik heb van hem een foto en angstig ben ik nog het meest,
dat als ik ouder word geen mens meer zien zal
dat wij broertjes zijn geweest.
En als er écht een hemel is en als ik daar dan woon,
dan is mijn vader net mijn broertje
en mijn broertje net mijn zoon.
Ted van Lieshout
Gedenkplaats
Twee schilders. Beiers, blonde krullen,
Verven de openstaande ramen
En niets verraadt bij deze knullen
't Bestaan van enig zielendrama.Daarbinnen staan in strenge orde
Gedoofde ovens aangetreden.
Herauten van de as van morgen,
Of tekens van een dood verleden?Ik volg de kalme kwasten, adem
De frisse lucht in van het najaar;
En angstig wervelen de blaren
Rond Dachau, het voormalig Lager.Semjon Lipkin (1911)
Dachau, 1937
HOE KAN ik ademen
met je dood als een brok
in mijn keel?
Hoe kan ik lachen
nu het onherroepelijke vonnis
mijn mond verzegeld heeft?In een houten kist
gaat de toekomst
tot ontbinding over.
Ik voel hoe ik langzaam
maar zeker bevries.Toch blijf ik ademen.
Toch lach ik, oudergewoonte.
En dat is misschien
het ergste van alles.Hanny Michaelis
“Tegen de wind in” – 4e dr.1978, Uitg. G.A.van Oorschot
ONDER de rimpeling
van onverstoorbaar kabbelende
dagen blijven mijn gedachten
met je bezig. Elke glimlach,
ieder gebaar van jou
naar mij en alle woorden
die je hebt gezegd,
stollen tot broze
veelkantige kristallen,
verblindend als je helle ogen
waarin ik mij voelde verdampen, lang
voordat ik door had kunnen dringen
tot waar je wortelt in de nacht.Hanny Michaelis
“Tegen de wind in” – 4e dr.1978, Uitg. G.A.van Oorschot
In memoriam
1
dit delen we
we delen dat we weten
hoe je washoe je stem was
hoe je ogen waren
hoe jong je wasen dat je binnenkwam
en bij ons wasdelen
zonder iets te zeggen
zonder iets te geven
wat niet te delen is2
het verdriet van de anderen
daar kan ik het minst iets aan doen
mijzelf kan ik troosten kan het
zachter maken door weer te voelen
wat je was en wat blijft
alsof we weer tegen elkaar lachen
je ogen en je mond weer als zo vaakhet verdriet van de anderen
moet ik alleen laten er niet
aan raken een stenen muur
waar het mos heel langzaam uitgroeit
waarop de regen steeds donkerder
vlekken laat waar de voegen brozer lijken
ouder zo veel ouder dan wij3
de nieuwe boeken
zijn ook voor jou
wat ik lees
is ook voor jou
daar heeft de tijd
niets mee te maken
je bent niet voorbijin het bos
raap ik weer stenen
van de grond
ik loop weer
ook voor jou
in het herfstlicht4
sander wil je dat ik haar naam noem
als ik een gedicht voor haar schrijf
jou vraag ik het jij was haar vriendhet is steeds een van de stenen
die ze meebracht en die ze mooi vond
daar grif ik inalleen een letter alleen de letters
een alfabet dat geen volgorde heeft
een keus zonder zinbehalve hoe een blad van een boom valt
een steen op een pad ligt juist daar
waar je komtmeer is wat wordt geschreven toch niet
meer is er niet en dan zeg je: haar naam
noem maar nietmaar die steeds transparantere klank dat
blad in mijn hand de nerven doorzichtig
het water dat stroomt?laat me maar noemen die daar woont
Ankie Peypers
'Voor en tegen mensen', uitg. De Prom, 1982
Nog
Mijn hartslag stokte, en met korte kramp
schoot mij hoe sterfelijk ik ben te binnen.
Ik moet mij steeds meer op de dood bezinnen,
hoe vaster ik mij aan het leven klamp.Dat eenmaal zo het einde zal beginnen
is in het licht van wat er was geen ramp,
maar toch: er valt onder de kleine lamp
nog zoveel onontgonnens te ontginnen.De aarde is nog ongeëvenaard;
er liggen nog oneindige domeinen
waarover deze lamp moet schijnen braak;en slechts met de gedichten die ik maak
maak ik de wereld woord voor woord de mijne,
en breng ik het geschapene in kaart.Jean Pierre Rawie
Uit: 'Onmogelijk Geluk' 1993, uitg. Bert Bakker
Sterfbed
Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezetenzoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.Jean Pierre Rawie
Uit: 'Onmogelijk Geluk' 1993, uitg. Bert Bakker
Eind goed, al goed (1966)Mijn as wordt begraven op het kerkhof te Greonterp.
De mensen die komen kijken, krijgen met onbekrompen maat te drinken,
de kinderen ook, dat staat geschreven.
Er komt een houten kruis, waarop te lezen valt:
GOD IS DE LIEFDE, verder niks.
Dan komt de harmonie, en speelt een lied,
langzaam en vroom, met veel koper.
Als er wel wolken maar geen wind is wordt de hemel
een sluier van stilte,
en daalt iets neer dat veel lijkt op geluk.Gerard Reve (1923-2006)
Uit: Nader tot U. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1966
Ik weet nog hoe mijn opa stierf, hoe hij
Geduldig bij de kachel lag; er brandde
Een kaars die 't pad bescheen naar gene zij,
Wat kromgetrokken, in zijn oude handen.Hij hield van mij. Hij was mijn grote vriend.
Wanneer hij weg was voelde ik me treurig.
Hij bracht altijd van wat hij had verdiend
Voor mij een peperkoek mee, zoet en geurig.Toen was hij dood; de dragers kwamen aan.
Het deksel van de kist werd dichtgeslagen.
Hij is niet meer, wij moeten verder gaan, -
Voor 't eerst had ik een groot verlies te dragen...Het leek alsof mijn jeugd in zijn geheel
Opeen achter een lijn was blijven steken.
Ik had de dood gezien, 't was of een deel
Nu op mijn kinderziel was neergestreken.Sindsdien zijn vele anderen gegaan
En één voor één door 't diepst der aard verzwolgen,
Als had mijn opa 't pad daarheen gebaand,
En hoefden anderen hem slechts te volgen.In zomerhitte, januarikou,
In mist of regen, ieder jaargetijde,
Zonder of met muziek, deed ik getrouw
Veel van mijn medeschrijvers uitgeleide.En elke keer als iemand heenging, sloot
Een band zich om mijn hart, en door de jaren
Ging ik met elk van hen een beetje dood,
Alsof wij als een paar verbonden waren.Als dat zo in de oorlog was gegaan,
Waar zoveel meer verliezen zijn geleden,
Dan had één leven zeker niet volstaan
Voor ons die ongedeerd zijn tot op heden.Maar 't gaat erom dat als mijn uur straks slaat,
En ik voorgoed van deze wereld heenga,
En - als klein deeltje - het geheel verlaat,
Dat ik dan bij het afscheid niet alleen sta.Ik neem toch aan dat ik bij mijn vertrek,
Of het nu morgen is of lang na dezen,
Ook medeleven bij mijn vrienden wek,
Dat ik niet met de dood alleen zal wezen.Aleksander Tvardovski (1910-'71)
Herfst
Nooit ben ik meer in mijn gedachten groot,
steeds zeldner denk ik dat mijn werkelijk wezen
zich tonen zal en durven te genezen
van de steeds naderende duidelijker dood.
Vandaag zag ik de hemel door het weemlend lover
verbleken tot een doodlijk zuivere helderheid.
Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd
en er is haast geen tijd meer voor mij over.
Er ruist een hoge ruime wind
door de recht opgerezen bomen:
aan het zwarte water is een hert gekomen,
en door het oevergras schijnt laag de zon...
Dit is het enig antwoord, dat ik vind,
dat mij bevrijden zou, zo ik t vertalen kon.
Maria Vasalis
uit Parken en Woestijnen.
Dood
Dood. Heb geen angst. Talm niet
voor mijn deur. Kom binnen.
Lees mijn boeken. In negen van de tien
kom je voor. Je bent geen onbekende.Hou mij niet voor de gek met kwalen
waarvan niemand de namen durft te noemen.
Leg mij niet in een bed tussen kwijlende
kinderen die van ouderdom niet weten wat ze zeggen.
Klop mij geen geld uit de zak
voor nutteloze uren in chique klinieken.Veeg je voeten en wees welkom
Eddy van Vliet
Dood zijn duurt zo lang
Het is niet fijn om dood te zijn.
Soms maakt me dat een beetje bang.
Het doet geen pijn om dood te zijn,
maar dood zijn duurt zo lang.Als je dood bent, droom je dan?
En waar droom je dan wel van?Droom je dat je in je straat
langzaam op een trommel slaat?
Dat iemand je geroepen heeft?
Droom je dat je leeft?Maar ach, wat maak ik me toch naar,
Het duurt bij mij nog honderd jaar
voor ik een keertje dood zal gaan.
Ik laat vannacht een lampje aan.Willem Wilmink
Uit: “Ernstig genoeg. Liedjes en gedichten vanaf 1986.” (Bert Bakker, Amsterdam, 1995)
Halverwege, de dood
Tot gisteren waren wij even oud, zij en ik.
Nu sta ik hier en ligt zij daar, koud, zij -
en ik bezweet van zomer, haast en gêne.Zij lijkt een beetje op een zonnebloem:
gebruind gezicht, blonde haren,
nog lang niet uitgebloeid, toch geknakt.Zij ligt voor schut; slaap noch diepe rust.
Niet stuk, niet beschadigd, niet ziek:
kan nog heel goed bloeien in een vaas.Bij alle zinnen moet nu nagedacht, de tijd
verspringt een klinker. Ik ben al uren ouder.Halverwege, de dood
Er verstreek geen week of wij spraken
de doodstille nacht aan, vonden blindelings
code en toon. Ik sprak over lezen en leven,
ik hoorde van het verre voortbestaan -’t was avond, ’t was laat, een zacht zoemen
opende verten, kamers die ik kende, een stoel
waarin ik zat, een glas waaruit ik dronk,
al in geen honderd jaar is afstand een bezwaar.Mijn lieve kalme vriend, wie heeft dat ene wel
heel onbenullige adertje in jouw nog lang niet grijze kop
kapot geprikt, die dunne wand gescheurd en al dat
doodgemoedereerde bloed door jouw hersensheen gejaagd, je liefde en je kalmte verzopen
tot een hopeloze black pudding, die had ik niet besteld?Een man stierf op een donderdag in mei,
rond middernacht. Zijn lijk lag onderaan
de trap en lag daar al toen ik die nacht
mijn laptop afsloot en mijn glas vol schonk.Het duurde maanden. Omstreeks dat trouwe uur
klonk in zijn lege almaar kouder wordend huis
dat vriendelijke en uitnodigende, nieuwsgierig makende -
want geen zee en geen hemel, geen dalen nabij.Ik wil een toestel in zijn graf, dat bel ik dan,
zodat, al kan hij niet meer spreken, hij weet
dat ik hem spreken moet. De wormen die hem slopen
een maal per dag aan het schrikken maken kan.Michaël Zeeman
Een vriend van me schreef het volgende gedicht in het Engels en vroeg me om het in het Nederlands te vertalen.
Hij heeft het geschreven toen hij een klein kerkhofje op het platteland bezocht en daar verschillende grafstenen zag, van één familie. Het waren de graven van een aantal kinderen die allemaal binnen een periode van negen jaar gestorven waren, rond 1850.
Wilgen
MarieDeze dag, mijn lieve schat,
wordt de mooiste van ons leven.
Hoor de klokkentonen zweven,
samen gaan we ons levenspad.
Samen maken we ons ‘thuis’
binnen deze eenvoudige muren.
Op het land doet gij uw werk.
Ik in ons huis. Ik zorg voor het kroost.
’s Zondags gaan we naar de kerk.
Ik droomde al over een naam.
Hoe zullen we onze eerste noemen?
Niek of - een meisje - Ada misschien.
Wat zullen we gelukkig worden,
onze kinderen, gij en ik.Vroedvrouw
De heer en mevrouw Jansen
delen met grote vreugde mede,
dat ze gezegend zijn met een zoon.
Ze noemen hem Nicolaas.Marie
Laten we hem Nicolaas heten.
Een prachtig kind. Elk mag het weten.
We zijn met nageslacht beloond.
Misschien wordt hij wel meester,
of, wat denk je Gerrit, dokter?
Volgt hij soms zijn vader op
of wordt hij toneelspeler?
Dat zou nog eens grappig zijn.
Zijn wangetjes, die zien wat bleek.
De dokter zei, dat hij zwakjes is.
Maar hij groeit er vast wel overheen.
Er is niets mis met ons kindje.
Wat melk en eieren om aan te sterken.
Hij wordt vast een ferme knaap.Marie
Hoe liefelijk en vredig is het hier.
Dit kerkhof. Deze sterke jonge wilg
zal ooit schaduw geven aan zijn …
Niet huilen, Ger. Ik hield van hem,
evenveel als jij. Slechts negen korte dagen
heeft het God mogen behagen.
Met hoop waren we vervuld.
Nu in verdriet gehuld.
Maar ’t was Gods wil. Niek is bij Hem,
Veilig in Zijn armen.Marie
Goed nieuws, Ger. De dokter zegt dat je je best hebt gedaan.
Met Gods zegen zal hier straks een wiegje weer staan.Vroedvrouw
De heer en mevrouw Jansen
zijn trots de geboorte van een zoon
bekend te mogen maken.
Zijn naam is Frederik.Marie
Kijk eens schat, is hij niet lief?
Kaal is hij! Hij lijkt op jou.
Kijk, piepkleine teentjes, volmaakte voetjes.
O, hoeveel ik van hem hou.
Houd hem vast, Ger, hij zal niet breken.
Ah, hij lacht, het kereltje,
hij ziet jou. Dat is een teken
dat hij al zijn pappa kent.
Een naam? We zijn beloond
met een prinsje. Dát doen we,
hij wordt Frederik gekroond.Marie
Misschien is het Gods wil,
dat we een kinderloos leven leiden.
Waarom moest hij ons anders twee keer verblijden,
dan weer ontzeggen. Het is zo kil.
Is het een beproeving van onze kracht?
Wat er gebeurt ligt buiten onze macht.
Zeg niet, liefste, dat we nog tijd genoeg hebben.
We proberen het ooit nog een keer.
Kom, droog je tranen.Marie
Het is vijf jaar geleden Ger, sinds …
Tja, de dokter zegt dat het niet lang meer duurt
of ik ben te oud om nog veilig
kinderen te krijgen. O alsjeblieft,
laten we het nog een keer proberen! Je zult zien
dat deze keer alles goed gaat.Vroedvrouw
Meneer en mevrouw Jansen
geven met grote vreugde
kennis van de geboorte van
hun dochtertje JohannaMarie
We hebben een dochter, mijn lief,
met haartjes en jouw bruine ogen,
mijn blanke huid. En – ik durf het haast niet te geloven –
ruim zes pond. Bovenal: gezond.
Roze jurkje, blauwe strik in het haar,
ieder zal straks zeggen: Ziedaar,
dat knappe ding van Jansen.
Jongens te over om met haar te sjansen.
Maar Johanna houdt alleen van ons.
Dit is een teken van Gods liefde.
Ik weet het. Ik voel het in mijn bloed.Marie
Vandaag is ze vijf maanden,
ons kleine meisje. God, wat heb ik gebeden om haar te mogen houden.
Zeg eens, is ze niet het mooiste,
waar je ooit je oog op liet vallen?
O, ik zal me niet mee laten slepen,
maar het lijkt erop… we hebben haar in de lente gekregen
en nu is het oktober. Ik denk dat het ergste voorbij is.
De bomen zijn weer kaal.
Er komt waarschijnlijk regen.Marie
O lieve God, onze dierbare Johanna is dood.
Waarom worden we zo zwaar beproefd? Waarom...
Zij was onschuldig, lief, zo jong.
Wat moeten we nog meer verdragen.
Het is genoeg zo. Niet meer. We zijn kapot…
Nee, geen berouw, elk woord volstrekt gemeend.Marie
Vergeef me schat, vergeef me,
Wat ik zei,was niet bedoeld. Ik kon niet meer helder denken.
Ik was zo wanhopig
door Johanna’s dood.
Ik was zo dol op haar,
mijn kleine hummeltje. Ik zou mijn leven
graag voor mijn schatje hebben gegeven.
Ik snap het niet, hoe ik ook zoek.
Valt een van ons iets te verwijten?
Of zijn we gewoonweg vervloekt.Vroedvrouw
De heer en mevrouw Jansen
geven kennis van de geboorte van een zoon, Jacob.Marie
Lieve, lieve Jacob, slechts twintig korte dagen gingen heen
tot je de anderen volgde, je naar je vroege graf verdween.
Je voelt je er thuis. De anderen wachten al, daar.
Frederik, Johanna en Niek, verwelkom onze Jacob maar.
Hij legde een lange weg af, om zich bij ons te voegen. En misschien
stuur ik binnenkort nog eentje. Hoe vinden jullie dat?
Misschien een jongen, een broertje, Frederik, om tegen een bal te schoppen.
Of een meisje, voor Johanna, om samen te spelen met poppen.
Ja, een meisje, dat lijkt me leuk.Vroedvrouw
Meneer en mevrouw Gerrit Jansen
geven kennis van de geboorte van een meisje – AdaMarie
Het is hier zo rustig en vredig.
Hoor de klokken luiden. Het wordt kouder en ik vrees
dat het lang gaat duren voor het lente wordt.
Kijk die wilg. Hij heeft geleden, het arme ding.
Na nog een winter zal hij er nog erger aan toe zijn.
De bomen zijn kaal.
Er hangt kou in de lucht.
Ik kan mijn adem zien…
Kom, kinderen. Ik denk dat we het best kunnen vertrekken
voordat de dood ons komt halen.Gerrit
Barmhartige God, waarom was dit nodig.
Deze zwakke, levenloze lijven.
Onze kinderen, moeten die hier verblijven?
Amper geademd, pas uit de schoot,
werd hen de kleur van hun wangen ontnomen
door de dood.
En dan deze vrouw,
die weerloos moest ervaren,
hoe een voor een
Nicolaas, Johanna, Frederik, Jacob
en Ada meedogenloos in een koud, vochtig graf verdween.
Weggerukt van haar warme, liefdevolle hart.
Wat restte was, dat ze, overmand door smart,
gek werd en in zichzelf ging praten. Zeg me,
is dit het loon dat ze krijgt
voor haar geloof en oprechte vroomheid?Mijn God, ik voel me zo alleen.
JC/AW
Eén van de vaste rubrieken op Cedar Gallery is GEDICHTEN.
Dit onderdeel biedt zowel een podium voor aankomend talent, als voor dichters die reeds naam hebben gemaakt.
We nodigen vooral nieuwe en nog onbekende dichters uit om bijdragen in te zenden, die passen bij het thema Dood.
U kunt uw bijdragen opsturen naar: cedars.letters@live.nl
Gedichten over andere thema's vindt u HIER.
Vertaalde gedichten van Russische dichters staan bij de rubriek Rusland.
Verder is er een aparte rubriek haiku, tanka en senryū (Japan).
top | naar gedichten | naar verhalen en gedichten
|